Conclusie A-G van Hilten 13 januari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:20
In deze procedure moet de vraag worden beantwoord onder welke tariefpost de door belanghebbende ingevoerde light emitting diode lampen (hierna: de led-lampen) moeten worden ingedeeld. In de visie van de staatssecretaris van Financiën (hierna: Staatssecretaris) moeten de led-lampen worden ingedeeld in tariefpost 8543 van de GN (elektrische apparaten met een eigen functie, 3,7% douanerechten). Belanghebbende meent dat de led-lampen moeten worden ingedeeld onder tariefpost 8541 van de GN (luminescentiedioden, 0% douanerechten). Daarnaast is heffing van rechten volgens belanghebbende in strijd met het evenredigheidsbeginsel aangezien in de Europese Unie geen led-lampen worden geproduceerd. Bijzonder aan deze zaak is dat Hof Amsterdam (hierna: het Hof) de zelden in de rechtspraak toegepaste indelingsregel 4 heeft gebruikt en de led-lampen met toepassing van die regel heeft ingedeeld onder tariefpost 8539 (gloeilampen). Voordat A-G Van Hilten in gaat op de indeling van de led-lampen, bespreekt zij eerst het Unierechtrechtelijke evenredigheidsbeginsel; immers bij honorering van belanghebbendes beroep op het evenredigheidsbeginsel wordt niet aan de indelingskwestie toegekomen. Zij bespreekt hiertoe de in de Verdragen neergelegde doelstelling van de douane–unie en het gemeenschappelijk douanetarief. Zij komt tot de slotsom dat de Unie bij het – bij verordening – vaststellen van een douanetarief voor goederen van tariefposten 8539 en 8543 van de GN, niet verder is gegaan dan noodzakelijk om de doelstellingen van de artikelen 28 tot en met 32 van het VWEU te realiseren. Ook niet indien er veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat in de jaren waarin de onderhavige led-lampen in het vrije verkeer werden gebracht, binnen de Unie geen productie van dergelijke lampen plaatsvond. Na de bespreking van het evenredigheidsbeginsel komt A-G Van Hilten toe aan de vraag of het Hof terecht – uitgaande van een juiste rechtsopvatting – heeft geoordeeld dat de led-lampen met toepassing van algemene indelingsregel 4 moeten worden ingedeeld als ‘gloeilampen’ van tariefpost 8539 van de GN. Aangezien aan indelingsregel 4 pas wordt toegekomen als de overige indelingsregels geen soelaas bieden, dient bij de beantwoording van deze vraag eerst te worden uitgesloten dat indeling van led-lampen met toepassing van algemene indelingsregels 1 (en 6) mogelijk is. Bij de beantwoording van de vraag of een goed onder de bewoordingen van een tariefpost valt, zijn doorslaggevend de ‘objectieve kenmerken en eigenschappen’ van dat goed, ‘zoals die in de tekst van de post is omschreven’. A-G Van Hilten bespreekt eerst tariefpost 8541 van de GN (luminescentiedioden) met de bijbehorende GS-toelichting en komt tot de tussenconclusie dat, nu de led-lampen aanzienlijk meer ‘om het lijf hebben’ dan enkel de luminescentiedioden, en alle componenten van de lamp noodzakelijk zijn om deze te maken wat hij is en te doen werken waarvoor hij gemaakt is, indeling onder tariefpost 8541 van de GN niet mogelijk is. De led-lampen hebben haars inziens niet de objectieve eigenschappen en kenmerken van een goed als omschreven in post 8541 van de GN en kunnen daarom niet met toepassing van indelingsregels 1 en 6 onder die post worden gebracht. Op grond van indelingsregels 1 en 6 lijkt indeling van de led-lampen onder tariefpost 8539 volgens A-G Van Hilten evenmin aan de orde. De bewoordingen van deze tariefpost en die van de relevante onderverdelingen daarvan omvatten naar het haar toeschijnt niet led-lampen als de onderhavige. De A-G komt toe aan de laatste post die in deze procedure is genoemd als mogelijke post waaronder de led-lampen kunnen worden ingedeeld: tariefpost 8543 van de GN. Deze restpost heeft betrekking op elektrische machines, apparaten of toestellen met een eigen functie. A-G Van Hilten komt tot de conclusie dat de led-lampen niet een eigen functie hebben in bovenbedoelde zin. Dan resteert volgens haar nog de mogelijkheid dat de led-lampen als (onder)deel onder een van voormelde posten – of een andere post – worden ingedeeld. Met het oog op de door het HvJ in zijn rechtspraak gegeven omschrijving van ‘delen’, meent A-G Van Hilten dat de led-lampen zijn aan te merken als ‘delen’. Steun daarvoor vind zij onder meer in de GS-toelichting op aantekening 2 op afdeling XVI, waarin gloeilampen – toch een product waarmee de onderhavige led-lampen op zijn minst overeenkomsten vertonen– als ‘deel’ worden aangemerkt. Zij komt tot de slotsom dat de led-lampen (net als gloeilampen) delen zijn van machines. Anders dan voor gloeilampen, is er echter voor de led-lampen (nog) geen tariefpost. In feitelijke instanties is niet vastgesteld in welke apparaten en toestellen de led-lampen als onderdeel geplaatst (zouden kunnen) worden, en is onderbelicht gebleven waarom de led-lampen niet als onderdeel van een machine (kunnen) worden aangemerkt. Over de mogelijke indeling in tariefpost 8543, 8548 of wellicht nog een andere post, kunnen haars inziens derhalve zonder nader feitelijk onderzoek, waarvoor in cassatie geen plaats is, geen uitspraken worden gedaan. A-G Van Hilten komt tot de conclusie dat niet kan worden uitgesloten dat de led-lampen met toepassing van indelingsregels 1 en 6 onder de bewoordingen van tariefpost 8543 dan wel onder de bewoordingen van een andere tariefpost kunnen worden gebracht, en dat het Hof te snel – uitgaande van de onjuiste rechtsopvatting dat geen enkele post in aanmerking kwam – heeft geoordeeld dat de led-lampen met toepassing van algemene indelingsregels 4 moeten worden ingedeeld. Mocht de Hoge Raad van oordeel zijn dat het Hof de led-lampen terecht met toepassing van indelingsregel 4 heeft ingedeeld, dan meent de A-G dat het Hof feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de led-lampen de meeste overeenkomsten vertonen met gloeilampen. De conclusie strekt ertoe dat het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond dient te worden verklaard en dat het incidenteel beroep in cassatie van belanghebbende deels gegrond dient te worden verklaard. De conclusie strekt tot verwijzing van de zaak voor nader feitelijk onderzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:30
- Hof Amsterdam 27 februari 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:839
- Rb. Haarlem 11 mei 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BW5847
- HR 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY5995
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1995:160
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1997:552
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2001:199
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2002:88
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2004:122
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2005:182
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:465
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:681
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2007:110
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2007:449
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2007:553
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2008:324
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2008:535
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2008:710
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2009:294
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2009:382