Conclusie A-G IJzerman 21 augustus 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1704

B&W van de gemeente Hellevoetsluis heeft bij Aanwijzingsbesluit heffingsambtenaar 2005 als heffingsambtenaar aangewezen de coördinator belastingen CFA. Het afdelingshoofd CFA is aangewezen als eerste vervanger. Het aanwijzingsbesluit is als zodanig niet gepubliceerd. Wel is het vastgelegd in de Besluitenlijst B&W die door B&W is ondertekend op 25 oktober 2005. Bij het Aanwijzingsbesluit heffingsambtenaar 2006 is onder meer als heffingsambtenaar aangewezen het afdelingshoofd BECTA. Dit besluit is vastgelegd in de Besluitenlijst B&W, door B&W ondertekend op 8 augustus 2006 en op 15 augustus 2006 gepubliceerd. De heffingsambtenaar van de gemeente Hellevoetsluis, op dat moment het hoofd CFA, heeft met dagtekening 20 juni 2006 aan belanghebbende vier Legesaanslagen opgelegd. De Legesaanslagen zijn opgelegd ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning. In geschil is of de Legesaanslagen formeel juist zijn te achten, mede in het licht van het verdere procesverloop, en in stand kunnen blijven. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de Legesaanslagen. De bevoegde heffingsambtenaar heeft de bezwaren ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep daartegen ongegrond verklaard. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld onder aanvoering van één middel. Belanghebbende stelt dat het aan de Legesaanslagen klevende (bevoegdheids)gebrek, anders dan het Hof heeft geoordeeld, niet kan worden hersteld door het doen van uitspraak op bezwaar door de bevoegde heffingsambtenaar, omdat de aanslagtermijn op dat moment reeds was verstreken. De A-G begint met op te merken dat het Hof feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat er inderdaad een aanwijzingsbesluit bestond. Dat besluit is vastgelegd in de Besluitenlijst B&W die door B&W op 25 oktober 2005 is ondertekend. Het staat evenwel vast dat het aanwijzingsbesluit als zodanig niet bekend gemaakt is en dat het, naar de A-G begrijpt, uitsluitend daarom niet in werking is getreden. De Legesaanslagen zijn dus onbevoegdelijk opgelegd. De onbevoegdheid van het hoofd CFA om, als heffingsambtenaar, de Legesaanslagen op te leggen berust uitsluitend op voormeld formeel gebrek. De vraag is welk gevolg aan dit gebrek dient te worden verbonden, mede in het licht van het verdere procedureverloop. Een dergelijk formeel gebrek behoeft volgens de A-G niet tot vernietiging van de besluiten, de Legesaanslagen, te leiden. Daartoe is volgens de A-G mede redengevend te achten dat belanghebbende, naar het Hof feitelijk heeft vastgesteld, niet is benadeeld door het gebrek gelegen in het niet bekend maken van het aanwijzingsbesluit. Dat geldt zowel onder de oude als de nieuwe tekst van artikel 6:22 Awb. Ook doordat de bevoegde heffingsambtenaar nadien het bestreden besluit ex artikel 7:11 Awb aan een inhoudelijke beoordeling heeft onderworpen en uitspraak op bezwaar heeft gedaan, kan een eerder bevoegdheidsgebrek in principe worden hersteld. De A-G acht het onjuist om in dit kader de nadere eis stellen dat een bevoegd genomen uitspraak op bezwaar slechts dan een onbevoegd opgelegde belastingaanslag zou kunnen herstellen, indien ten tijde van het doen van de uitspraak op bezwaar de aanslagtermijn ex artikel 11 AWR nog niet is verstreken. Het middel faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken