Conclusie A-G van Hilten 10 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:537
Belanghebbende heeft in de periode van 22 maart 2007 tot en met 5 oktober 2007, in opdracht van haar opdrachtgever, aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van pijpfittingen met de oorsprong India. Deze aangiften heeft zij op eigen naam en voor eigen rekening gedaan. Nadat de Minister van Economische zaken belanghebbende heeft geïnformeerd dat de goederen de Chinese oorsprong hebben en dat derhalve antidumpingrechten verschuldigd zijn, heeft belanghebbende de Inspecteur bericht dat de aangiften ‘ten onrechte en bij vergissing’ op eigen naam en voor eigen rekening zijn gedaan, in plaats van op naam en voor rekening (d.w.z. als directe vertegenwoordiger) van haar opdrachtgever. Onder verwijzing naar artikel 78 van het communautair douanewetboek (hierna: CDW) heeft zij de Inspecteur verzocht de aangiften te herzien. In deze procedure staat de vraag centraal of artikel 78 van het CDW de mogelijkheid biedt om achteraf de (persoon van de) aangever te wijzigen in een aangifte voor het vrije verkeer. Daarnaast spelen in deze procedure nog twee (formele) vragen, namelijk de vraag of de ambtenaar die de uitnodiging tot betaling (verder: utb) heeft uitgereikt, daartoe bevoegd/gemandateerd was, en de vraag of belanghebbende op grond van artikel 201, lid 3, van het CDW terecht als schuldenaar is aangewezen. Rechtbank Haarlem (hierna: de Rechtbank) en Hof Amsterdam (hierna: het Hof) zijn van oordeel dat de ambtenaar bevoegd was om de utb uit te reiken en dat belanghebbende terecht als schuldenaar is aangewezen. Voorts zijn zowel de Rechtbank als het Hof van oordeel dat artikel 78 van het CDW niet de mogelijkheid biedt om achteraf de (persoon van de) aangever te wijzigen. A-G Van Hilten bespreekt in deze conclusie eerst of de ambtenaar die de utb heeft vastgesteld en uitgereikt bevoegd was om dit te doen. Uit de bepalingen van het CDW, de Algemene douanewet, de Algemene douaneregeling, de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 en de Algemene wet inzake rijksbelastingen leidt zij af dat in Nederland de inspecteur (de douaneautoriteit) die mededeling van de douaneschuld aan de schuldenaar doet ‘belichaamd’ is in de algemeen directeur van de Belastingdienst/Douane. Voor het doen van die mededeling heeft de algemeen directeur ambtenaren aangewezen (gemandateerd). De A-G komt tot de conclusie dat de ambtenaar die de utb heeft vastgesteld, daartoe bevoegd c.q. gemandateerd was. Met de (late) overlegging van het mandaatbesluit is naar haar mening de goede procesorde niet geschaad. Het eerste middel faalt. Vervolgens gaat de A-G in op de vraag of belanghebbende terecht als douaneschuldenaar is aangewezen. Zij meent van wel. Op grond van artikel 201 van het CDW kan (in het onderhavige geval) maar één persoon de schuldenaar zijn. Aangezien belanghebbende de aangiften op eigen naam en voor eigen rekening heeft gedaan, is de utb haars inziens terecht aan belanghebbende uitgereikt. Het tweede faalt eveneens. Ten slotte behandelt de A-G de vraag of artikel 78 van het CDW de mogelijkheid biedt om achteraf de (persoon van de) aangever te wijzigen in een aangifte. Zij stelt voorop dat op de aangever de verplichting rust om de douane de juiste informatie te verstrekken en dat hij daarvoor ook zelf verantwoordelijk is. Met het indienen van de ondertekende aangifte aanvaardt de aangever ook de aansprakelijkheid voor (de juistheid van) die gegevens. Op het uitgangspunt dat de aangifte na aanvaarding in beginsel onherroepelijk is geworden, is artikel 78 van het CDW een uitzondering. Op grond van dat artikel kunnen de douaneautoriteiten na de vrijgave van de goederen ambtshalve of op verzoek van de aangever tot herziening van de aangifte overgaan. Herziening moet volgens de A-G worden opgevat als ‘opnieuw onderzoeken’. Wanneer uit deze herziening blijkt dat de aangifte niet (helemaal) juist was, volgt correctie. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie (hierna: HvJ) dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen ‘fouten of vergissingen die wél en fouten en vergissingen die niet’ kunnen worden rechtgezet, en dat de in artikel 78, lid 3, van het CDW bedoelde ‘onjuiste of onvolledige gegevens’ zowel materiële fouten betreffen als een onjuiste uitlegging van het recht. Het valt de A-G op dat de Engelse, Franse en Duitse tekst – anders dan de Nederlandse tekst – niet spreken over een vergissing, maar van een omissie. De lading daarvan lijkt de A-G toch net iets anders. Zij meent dat een omissie een fout suggereert en een vergissing niet per se. Het doel dat het HvJ aan artikel 78 van het CDW toedicht, lijkt de A-G ook meer op de omissie (c.q. het rechtzetten daarvan) gericht, dan op de vergissing. De ‘logica’ van deze bepaling is naar zij uit de rechtspraak van het HvJ afleidt namelijk het afstemmen van de douaneprocedure op de werkelijke situatie door rechtzetting ‘van materiële fouten of vergissingen (dan wel: omissies) en van elke onjuiste uitlegging van het toepasselijke recht’. Dit strookt haars inziens ook met de tekst van artikel 78, lid 3, van het CDW, dat niet over vergissingen, maar over onjuiste en onvolledige gegevens spreekt. Uit de aangehaalde jurisprudentie van het HvJ leidt de A-G af dat artikel 78 van het CDW zó moet worden uitgelegd dat deze bepaling van toepassing op gevallen waarin de aangifte voor een douaneregeling verkeerde vermeldingen bevat die niet overeenkomen met de werkelijke situatie en waarin de doelstellingen van de betrokken douaneregeling geen gevaar lopen. De A-G constateert dat in alle aan het HvJ voorgelegde gevallen het rechtzetten naar de ‘werkelijke situatie’ leidde tot een andere douanebehandeling van de goederen die onder de betrokken regeling waren geplaatst. Het onderhavige geval past volgens de A-G niet in het plaatje en wel om de volgende redenen. In de eerste plaats zijn in de aangiften haars inziens geen vermeldingen opgenomen die niet overeenkomen met de werkelijke situatie (afgezien van de onjuiste vermelding van de oorsprong van de goederen). In de tweede plaats meent de A-G dat het wijzigen van de in de aangifte vermelde aangever niet zou leiden tot een andere douanebehandeling van de goederen. In de derde plaats bergt wijziging van de persoon van de aangever (en daarmee van de douaneschuldenaar) het risico in zich dat de doelstellingen van de betrokken douaneregeling gevaar lopen. Ten slotte brengt een mogelijke wijziging van de persoon van de aangever met zich dat artikel 5, lid 4, van het CDW in voorkomende gevallen feitelijk geen betekenis heeft. De A-G is van mening dat dat niet de bedoeling kan zijn. De A-G komt tot de conclusie dat het Hof bij de afwijzing van de wijziging van de persoon van de aangever van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan. Dit laat haars inziens echter onverlet dat de tekst van artikel 78, lid 3, van het CDW noch de jurisprudentie van het HvJ expliciet uitsluiten dat de vermelding van de aangever in een geval als het onderhavige kan worden bestempeld als onjuist of onvolledig gegeven, als bedoeld in die bepaling. Met name de (Nederlandse) tekst van het HvJ arrest Overland II roept, naar zij meent, de vraag op of ook ingeval geen sprake is van een echte fout, herziening en rechtzetting aan de orde is. Met betrekking tot het derde middel geeft de A-G de Hoge Raad dan ook - ondanks haar eigen slotsom dat wijziging van de aangegeven aangever in de aangifte voor het vrije verkeer in casu niet mogelijk is (moet zijn) - in overweging prejudiciële vragen aan het HvJ voor te leggen. A-G van Hilten adviseert het beroep in cassatie van belanghebbende, voor zover dit de voorgestelde eerste en tweede middel betreft, ongegrond te verklaren. Zij geeft in overweging om ten aanzien van het derde cassatiemiddel het geding te schorsen en op de voet van artikel 267 VWEU het HvJ om een prejudiciële beslissing te verzoeken.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 2 AWR
- Artikel 3 AWR
- Artikel 2 IW
- Artikel 10:1 Awb
- Artikel 10:5 Awb
- Artikel 10:12 Awb
- Artikel 1 Besluit mandaat en machtiging Belastingdienst/Douane inzake anti-dumpingheffingen en compenserende heffingen EZ
- Artikel 5 Uitv reg Bd 2003
- Artikel 1:3 Adw
- Artikel 7:6 Adw
- Artikel 1:4 Algemene douaneregeling
- Artikel 267 VWEU
Aangehaalde uitspraken
- HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:779
- Hof Amsterdam 11 juli 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1949
- Rb. Haarlem 9 januari 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BV3915
- HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0396
- HR 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ5125
- HR 7 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5364
- HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3635