Conclusie A-G Vlas 6 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:530
Internationaal privaatrecht. Vordering tot betaling uit hoofde van een overeenkomst van borgtocht overeenkomstig de veroordeling in een Russisch vonnis. Vereisten voor erkenning van een buitenlands vonnis op de voet van art. 431 lid 2 Rv (HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1183, NJ 1994/348, HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1184, NJ 1994/350). Is vereist dat het buitenlandse vonnis uitvoerbaar is in het land van herkomst? Begrip ‘uitvoerbaar’ in art. 31 EEX-Verdrag (thans art. 38 lid 1 EEX-Verordening) (HvJEU 29 april 1999, ECLI:EU:C:1999:213, NJ 2000/477). Mogelijkheid om (subsidiair) aan de rechter een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil te vragen. Bewijskracht buitenlands vonnis (vgl. HR 23 januari 1976, ECLI:NL:HR:1976:AD7917, NJ 1977/123). HR doet zelf de zaak af.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 28 mei 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:CA1195
- Rb. Rotterdam 9 mei 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW8060
- HR 27 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7005
- HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1183
- HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1184
- HR 23 januari 1976, ECLI:NL:HR:1976:AD7917
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1999:213
- Conclusie, ECLI:NL:PHR:1993:ZC1184