Conclusie A-G Niessen 12 december 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2302
Belanghebbende is in het belastingjaar in loondienst werkzaam geweest (4-daagse werkweek). Samen met haar echtgenoot heeft belanghebbende twee kinderen. De echtgenoot van belanghebbende is chronisch ziek en is niet geschikt geacht voor het verzorgen/opvoeden van de kinderen. Belanghebbende en haar echtgenoot maken sinds 2006 en (ook) in het belastingjaar voor beide kinderen gebruik van de kinderopvang. De uitgaven voor de kinderopvang zijn in de aangiften en aanslagen 2006, 2007 en 2008 in aftrek gebracht als uitgaven voor extra gezinshulp als bedoeld in art. 6.17(1)(e) Wet IB 2001. In de aanslag 2009 heeft de Inspecteur de aftrek voor uitgaven voor extra gezinshulp gecorrigeerd. In geschil is of de door belanghebbende gedane uitgaven voor de kinderopvang gekwalificeerd kunnen worden als uitgaven voor extra gezinshulp als bedoeld in artikel 6.17(1)(e) Wet IB 2001. Voorts beroept belanghebbende zich ter zake van de toepassing van deze bepaling op het vertrouwensbeginsel. De Rechtbank en het Hof hebben geoordeeld dat de uitgaven niet kwalificeren als specifieke zorgkosten, nu sprake is van een te ver verwijderd verband tussen de kosten van de kinderopvang en de invaliditeit van de echtgenoot en niet gezegd kan worden dat de kosten van kinderopvang medisch noodzakelijk zijn. Daarnaast kan kinderopvang niet worden aangemerkt als ‘extra gezinshulp’. Nu belanghebbende geen recht had op thuiszorg dan wel gezinshulp, kan (ook) niet worden gezegd dat de kinderopvang noodgedwongen deze hulp verving. A-G Niessen is van mening dat art. 6.17 Wet IB 2001 niet bedoeld is om een financiële tegemoetkoming te bieden voor onderhavige uitgaven. Volgens de A-G dienen de kosten voor de kinderopvang ter vervanging van gezinshulp. Uit standaardjurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat zodanige uitgaven, waarmee hulp binnen het gezin in wezen overbodig wordt, niet vallen onder één van de categorieën genoemd in de limitatieve opsomming van art. 6.17(1)(e) Wet IB 2001. Voorts hangen de uitgaven onvoldoende samen met de ziekte van de echtgenoot. Voorts meent de A-G dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Uit de feiten blijkt niet dat de belanghebbende in de aangiften 2006, 2007 en 2008 de aangelegenheid van de aftrek ter zake van de kinderopvang uitdrukkelijk dan wel gemotiveerd aan de orde heeft gesteld, dan wel bewijsstukken heeft overgelegd, met de Inspecteur over de aangelegenheid heeft gesproken c.q. gediscussieerd, of aan een andere omstandigheid het vermoeden heeft kunnen ontlenen dat het volgen van de aangiften berustte op een uitdrukkelijke standpuntbepaling van de Inspecteur (zie HR BNB 1990/119). Anders dan de belanghebbende (kennelijk) meent, kan niet worden gezegd dat de Inspecteur met het (louter) volgen van de aangifte een bewuste standpuntbepaling heeft gedaan ter zake van de aftrekbaarheid van de kosten van de kinderopvang. De A-G stelt ambtshalve de vraag aan de orde of sociale grondrechten die zijn opgenomen in verdragen waarbij Nederland partij is, gevolgen (kunnen) hebben voor de lezing en toepassing van de fiscale regeling betreffende uitgaven voor specifieke zorgkosten. De wetgever heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven ernaar te streven door middel van onder meer de Wkkp en de SMI-regeling het recht van het gezin op volledige ontplooiing ex art. 16 ESH en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind te eerbiedigen. Maar, nog afgezien van de vraag of het ESH en/of een van de overige in de conclusie genoemde verdragen inhoudende sociale grondrechten voor gevallen als het onderhavige wel directe werking heeft, kan – gezien het bredere wettelijk systeem waarin het recht is verankerd – naar mening van de A-G niet worden gezegd dat regeling van de specifieke zorgkosten in strijd met die verdragen is, nu zij niet ertoe strekt een voorziening voor de onderhavige behoefte te bieden. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 93 Gw
- Artikel 94 Gw
- Artikel 9a AWBZ
- Artikel 3.140 Wet IB 2001
- Artikel 6.16 Wet IB 2001
- Artikel 6.17 Wet IB 2001
- Artikel 3 EVRM
- Artikel 5 EVRM
- Artikel 6 EVRM
- Artikel 7 EVRM
- Artikel 8 EVRM
- Artikel 9 EVRM
- Artikel 10 EVRM
- Artikel 11 EVRM
- Artikel 16 Europees Sociaal Handvest
- Artikel 27 Europees Sociaal Handvest
- Artikel 6 Europees Sociaal Handvest
- Artikel 3 IVRK
- Artikel 27 IVRK
- Artikel 10 IVESCR
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 6 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:838
- Rb. Noord-Holland 1 mei 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:3577
- ABRvS 23 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6235
- ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4660
- ABRvS 20 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7090
- ABRvS 7 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3716
- CRvB 7 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0221
- ABRvS 13 september 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU3122
- ABRvS 1 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS9909
- Hof 's-Hertogenbosch 21 december 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AS4020
- Hof 's-Gravenhage 28 januari 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:BM1321
- Hof Arnhem 11 december 2001, ECLI:NL:GHARN:2001:AD8112
- Hof Amsterdam 18 juli 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AD4822
- HR 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179
- HR 30 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9402
- HR 5 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW8103
- HR 29 september 1982, ECLI:NL:HR:1982:AW9455
- HR 7 januari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9773
- HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918
- HR 12 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AM4447