ABRvS 23 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6235
Het voorgaande brengt voor een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die is ingediend ná 18 maart 2005 met zich, zoals de minister ter zitting van de Afdeling heeft toegelicht, dat, indien de desbetreffende vreemdeling niet over een geldige mvv beschikt, hij eerst zal beoordelen of de door de vreemdeling als schrijnend aangevoerde feiten en omstandigheden aanleiding geven hem krachtens art. 3.71, lid 4 Vb 2000, van het mvv vereiste vrij te stellen. Zoals de minister ter zitting van de Afdeling terecht heeft betoogd, betreft deze beoordeling de vraag of van de desbetreffende vreemdeling gezien de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden gevergd kan worden voor de duur van de mvv-procedure Nederland te verlaten en is deze derhalve een andere dan de in de brief beschreven beoordeling of een vreemdeling vanwege schrijnendheid voor toelating in aanmerking komt. Dat de minister te kennen heeft gegeven, overeenkomstig de weergave van zijn beslispraktijk in het door de vreemdelingen overgelegde advies 'Om het maatschappelijk belang' van de Adviescommissie Vreemdelingenzaken van december 2011, dat hij de brief bij de beoordeling van aanvragen van ná 18 maart 2005 als richtsnoer gebruikt, doet aan het voorgaande niet af, nu gebruik van de brief als richtsnoer toepassing van het mvv-vereiste niet uitsluit. Gezien het voorgaande en nu niet in geschil is dat de aanvragen in de door de vreemdelingen aangehaalde zaken, waaronder de zaak Gungor, anders dan hun aanvragen, van vóór 18 maart 2005 zijn, heeft de Rb. niet onderkend dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hun beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.
De uitspraak op rechtspraak.nl