Conclusie A-G IJzerman 2 juli 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1162
A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 13/03180 naar aanleiding van het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek, tegen de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 mei 2013, nr. 12/00681 en 12/00682, ECLI:NL:GHARL:2013:CA1816, BB 2013/285. Belanghebbende exploiteert op bedrijfsmatige wijze een fokbedrijf van Welsh pony's. Op het bedrijf zijn fokmerries en fokhengsten aanwezig, alsmede veulens. Binnen het bedrijf vinden geen manegeactiviteiten plaats. Opgefokte veulens worden vooral verkocht aan andere fokkerijen van Welsh pony's, die deze doorverkopen aan personen die Welsh pony's als hobbydieren houden. Het bedrijf heeft percelen weiland in gebruik. De pony's rouleren over de weilanden zodat te allen tijde een gedeelte van deze weilanden braak ligt om het gras te laten groeien, terwijl andere delen worden begraasd door pony's. De weilanden worden minimaal eenmaal per jaar gemaaid. De opbrengst van het maaien wordt gebruikt voor het bijvoeren van de pony’s. De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen krachtens artikel 22 Wet WOZ de waarde van de weilanden voor het jaar 2012 vastgesteld op respectievelijk € 199.000 en € 47.000. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de weilanden de cultuurgrondvrijstelling van toepassing is, omdat sprake is van ten behoeve van de landbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond. Dat het hier gaat om bedrijfsmatige exploitatie is niet in geschil. De vraag waar het in casu om gaat is of hier onder ‘landbouw’ mede dient te worden verstaan belanghebbendes houden en fokken van pony’s, alsmede het maaien van de weilanden ten behoeve van het (bij)voeren van de pony’s. Rechtbank en Hof hebben de cultuurgrondvrijstelling van toepassing geacht. Het College komt daartegen thans op in cassatie. Volgens de A-G blijkt uit de wetsgeschiedenis dat bij de uitleg van het begrip ‘landbouw’ in de cultuurgrondvrijstelling niet zonder meer mag worden aangesloten bij de uitleg van dat begrip in het kader van de landbouwvrijstelling van de inkomstenbelasting en de in dat kader gewezen jurisprudentie. Het Hof heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat sprake is van bedrijfsmatige exploitatie van de weilanden en heeft, naar de A-G meent terecht, beslist dat het maaien van weilanden om hooi (als veevoer) te verkrijgen eveneens landbouw (weidebouw) is in de zin van artikel 7:312 BW. Dat wordt zijns inziens niet anders als één keer per jaar gras wordt gemaaid om hooi te verkrijgen. De A-G merkt op dat artikel 7:312 BW en artikel 1, lid 1, onder b, (oud) Pachtwet, uitgaan van een ruime omschrijving van het begrip ‘landbouw’, die ook het fokken van dieren zoals paarden en het houden van pluimvee omvat. Onder veehouderij is mede te begrijpen het houden van paarden uitsluitend om ermee te fokken. Volgens de A-G valt niet in te zien waarom de constatering dat paarden niet meer bedrijfsmatig worden gefokt en gehouden voor hun inzet in productieprocessen of het voortbrengen van vlees, maar met het oog op de verkoop ten behoeve van sport en recreatie, ertoe zou moeten leiden dat dit geen veehouderij meer zou kunnen zijn. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van het College ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G IJzerman 10 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:354
- Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:4454
- Hof Arnhem-Leeuwarden 22 mei 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:CA1816
- Rb. Zutphen 24 oktober 2012, ECLI:NL:RBZUT:2012:BY1105
- Rb. Leeuwarden 25 september 2012, ECLI:NL:RBLEE:2012:BY1354
- HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4934
- HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4721
- HR 23 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2276
- HR 26 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2531
- Hof, ECLI:NL:GHARL:2014:CA1816