Conclusie A-G IJzerman 10 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:354
A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woudenberg tegen de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 mei 2013, nrs. 12/00027 t/m 12/00030, ECLI:NL:GHARL:2013:CA0380, NTFR 2013/1068. Belanghebbende is eigenaar van een onroerende zaak die wordt geëxploiteerd als zorgboerderij. De exploitatie bestaat enerzijds uit agrarische activiteiten en anderzijds uit het tegen vergoeding aanbieden van dagbesteding en stageplekken aan personen met een (verstandelijke) beperking. Bij beschikkingen is de waarde van belanghebbendes onroerende zaak voor de onderhavige kalenderjaren vastgesteld. Het geschil heeft zich toegespitst op de vraag of de cultuurgrondvrijstelling van toepassing is op het desbetreffende gedeelte van het perceel van belanghebbende. Het Hof heeft geoordeeld dat daarvan sprake is. Het College bestrijdt dit oordeel in cassatie. De cultuurgrondvrijstelling is alleen toepasselijk indien sprake is van bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond. In gevallen waarin sprake is van niet-bedrijfsmatig gebruik van de cultuurgrond, bijvoorbeeld als hobbyboer, zal de cultuurgrondvrijstelling dan ook niet kunnen worden toegepast. Over die zich vaker voordoende vraag gaat het hier. Het gaat ook om een andere vraag die wel vaker in cassatie wordt voorgelegd, namelijk in welke mate een Hof na verwerping van de partijtaxaties, gehouden is tot motivering van de daarop volgende eigen taxatie als gedaan in goede justitie. De A-G merkt op dat de vraag of daadwerkelijk sprake is van bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond feitelijk zal moeten worden beoordeeld. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat ‘van bedrijfsmatige exploitatie alleen sprake is wanneer met een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid aan het maatschappelijk productieproces wordt deelgenomen met het oogmerk om daarmede winst te behalen’. Belanghebbende exploiteert geen ‘gewone’ boerderij maar een zorgboerderij. De exploitatie bestaat enerzijds uit agrarische activiteiten, waaronder extensieve (pluim)veehouderij en het fokken van bijzondere dierenrassen, en anderzijds uit het tegen vergoeding aanbieden van dagbesteding en stageplekken aan personen met een (verstandelijke) beperking die werkzaamheden verrichten op de boerderij. Ten processe staat vast dat de ‘restgrond’ dienstbaar is aan de (pluim)veehouderij; het (pluim)vee loopt en graast daar namelijk op. Voorts staat als feit vast dat deze (pluim)veehouderij voor minimaal 50% bijdraagt aan de winst uit de onderneming van belanghebbende. Gezien deze, niet onbegrijpelijke, feitelijke vaststellingen kan volgens de A-G niet anders worden geconcludeerd dan dat ter zake van de ‘restgrond’ sprake is van bedrijfsmatige exploitatie, in die zin dat met een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, bestaande uit de (pluim)veehouderij, aan het maatschappelijk productieproces wordt deelgenomen met het oogmerk om daarmee winst te behalen. Overigens komt het de A-G voor dat hier niet is gebleken dat ter zake van de ‘restgrond’ het streven naar positieve bedrijfsresultaten ondergeschikt is aan het bieden van zorg aan personen met een (verstandelijke) beperking. De agrarische activiteiten op de ‘restgrond’ zijn namelijk over meerdere opeenvolgende jaren winstgevend en zij dragen meer dan de helft bij aan de bepaald niet te veronachtzamen ondernemingswinsten. De A-G ziet daarin een gefundeerd winststreven. De klachten van het College falen. Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Daarin stelt belanghebbende dat ‘s Hofs vaststelling in goede justitie van de waarde van de onroerende zaak voor de onderhavige jaren zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Dienaangaande merkt de A-G eerst op dat het Hof naar zijn mening in voldoende mate heeft gemotiveerd waarom het de door belanghebbende bepleite waarden niet aannemelijk heeft geacht, evenmin als de door de heffingsambtenaar bepleite waarden. Daarom heeft het Hof vervolgens de waarden zelf in goede justitie vastgesteld, kennelijk rekening houdend met de door partijen in het geding gebrachte taxaties en bewijsmiddelen. Aldus verstaan komt het de A-G voor dat deze vaststelling in goede justitie niet onbegrijpelijk te achten is. De incidentele klachten van belanghebbende falen eveneens. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woudenberg en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dienen te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:666
- Hof Arnhem-Leeuwarden 2 mei 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:CA0380
- Hof Arnhem 9 augustus 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BR5483
- Hof Leeuwarden 8 maart 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ2917
- HR 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6283
- Hof 's-Gravenhage 30 juni 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2016
- HR 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9136
- Hof Amsterdam 17 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK7185
- Hof 's-Gravenhage 17 oktober 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BG5717
- Hof 's-Hertogenbosch 17 juli 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BF1314
- Hof Arnhem 25 juli 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:AU1969
- Hof 's-Gravenhage 15 april 2005, ECLI:NL:GHSGR:2005:AT9307
- HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD6058
- Hof Arnhem 27 april 1988, ECLI:NL:GHARN:1988:AX0854
- Hof 's-Gravenhage 23 april 1985, ECLI:NL:GHSGR:1985:AX1411
- Hof Arnhem 20 oktober 1983, ECLI:NL:GHARN:1983:AX1750
- Hof Arnhem 18 november 1982, ECLI:NL:GHARN:1982:AW9052
- Hof 's-Gravenhage 26 april 1982, ECLI:NL:GHSGR:1982:BG9337
- Hof 's-Gravenhage 26 februari 1982, ECLI:NL:GHSGR:1982:AX2322
- Hof Amsterdam 27 oktober 1981, ECLI:NL:GHAMS:1981:BI9516