Conclusie A-G Hammerstein 7 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ4115
Europees octrooi, nietigheidsvordering, art. 56 Europees Octrooiverdrag en art. 6 Rijksoctrooiwet 1995. Stofoctrooi voor reeds bekende stof ter verkrijging waarvan geen werkwijze bekend is, inventiviteit, stand van de techniek. Motiveringsklachten. Bewijslastverdeling, hoofdregel, art. 150 Rv. Inventiviteit werkwijze, oordeel van feitelijke aard. Aanvullend beschermingscertificaat, product in de zin van art. 1 aanhef en onder b Verordening 469/2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen, werkzame stof. Samenhang nietigheid octrooi en aanvullend beschermingscertificaat. Ontvankelijkheid incidenteel cassatieberoep, onafhankelijk van inhoud van principale cassatiemiddelen, art. 410 lid 1 en 2 Rv. Aanvulling principale cassatiemiddelen bij conclusie van antwoord in incidenteel cassatieberoep, verstrijken cassatietermijn, art. 410 lid 1 en 427 lid 2 Rv.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 24 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 166 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 225 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 353 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 399 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 402 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 407 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 410 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 419 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 6 ROW 1995
- Artikel 53 ROW 1995
- Artikel 75 ROW 1995
- Artikel 52 EOV
- Artikel 56 EOV
- Artikel 64 EOV
- Artikel 1