Conclusie A-G Wattel 27 september 2013, ECLI:NL:PHR:2013:982

Subjectieve vrijstelling ex art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb voor een AWBZ-toegelaten private thuiszorginstelling die niet zelf feitelijk zorg verleent maar bemiddelt, onderhandelt en coördineert? Temporeel dynamische vrijstelling? Grammaticale of teleologische uitleg van de wet? Werkzaamheidstoets en winstbestemmingstoets Feiten: De belanghebbende is een door het Cvz toegelaten stichting die AWBZ-geld ontvangt ter uitvoering van de AWBZ. Zij bemiddelt en coördineert bij de thuiszorgvraag, het thuiszorgaanbod, de zorgorganisatie en de zorgfinanciering en zij vervult administratieve taken. De feitelijke thuiszorg wordt verleend door ZZP-ers. Het AWBZ-geld betaalt zij voor een groot deel aan andere bij de zorgverlening betrokken partijen, vooral aan de ZZP-ers, op basis van budgettering en nacalculatie. De belanghebbende heeft steeds exploitatie¬overschotten behaald. Zij heeft voor 2002-2005 geen aangiften vennootschapsbelasting gedaan omdat zij onder meer meende subjectief te zijn vrijgesteld. De Inspecteur was een tegengestelde mening toegedaan. De Rechtbank acht de belanghebbende niet vrijgesteld; het Hof wel. Cassatiemiddel Staatssecretaris: Het Hof heeft ten onrechte of onbegrijpelijk geoordeeld dat (i) de belanghebbende haar winst enkel ten nutte van een algemeen belang kon aanwenden en (ii) niet is vereist dat de belanghebbende zelf de feitelijke zorg verleent. A-G Wattel constateert dat in cassatie alleen de werkzaamheidstoets ex art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb en de winstbestemmingstoets ex art. 4 Uitvoeringsbesluit Vpb in geschil zijn. Grammaticale interpretatie van de wettekst leidt tot niet-toepassing van de vrijstelling, nu belanghebbendes werkzaamheid niet is “de genezing of verpleging van zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen”, maar art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb moet volgens de A-G teleologisch uitgelegd worden, en bovendien dynamisch, gezien (i) het door de wetgever gewenste maatschappelijk-dynamische karakter van de vrijstelling, (ii) de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen in de zorg en (iii) de jurisprudentie. Het standpunt van de Staatssecretaris dat eigen handen aan het bed vereist zijn, vloeit niet uit de wet of de wetsgeschiedenis voort. Ook belanghebbendes middellijke zorgverleningsdiensten kunnen kwalificeren. ’s Hofs oordeel geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige is ’s Hofs oordeel over belanghebbendes werkzaamheid feitelijk en niet-onbegrijpelijk. ’s Hofs oordeel omtrent de winstbestemmingstoets is volgens de A-G feitelijk en daarmee in cassatie beperkt toetsbaar. Dat oordeel lijkt - uitsluitend - voor een deel van 2005 (nl. het deel na belanghebbendes statutenwijziging van 22 november 2005) onvoldoende gemotiveerd of mogelijk rechtens onjuist omdat het Hof niet heeft vastgesteld wat de statuten in die periode bepaalden over de bestemming van een overschot bij vereffening. Daaraan kan de Hoge Raad zijns inziens echter voorbij gaan op grond van art. 29e(2) AWR (‘punten van ondergeschikte aard’). Conclusie: cassatieberoep Staatssecretaris ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken