Conclusie A-G Wattel 24 december 2013, ECLI:NL:PHR:2013:2387

Wamil-uitkering (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen); weigering wegens aanspraak op een Wajong-uitkering, die echter niet geldend kan worden gemaakt door verhuizing naar België; aanvang arbeidsongeschiktheid; heeft een Wamil-belanghebbende toegang tot de cassatierechter? Discriminatie ten opzichte van ZW- en WAO-verzekerden? Feiten: Door een onherroepelijke rechterlijke uitspraak over de toepassing van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) staat vast dat de belanghebbende vanaf zijn 17e verjaardag arbeidsongeschikt was in de zin van de Wajong, hetgeen hem aanspraak geeft op een Wajong-uitkering vanaf 24 mei 2005. Hij heeft die aanspraak niet geldend kunnen maken omdat hij door buiten Nederland te gaan wonen niet voldeed aan de ingezetene-eis. Hij heeft voorts, nu hij in militaire dienst is geweest, een Wamil-uitkering aangevraagd, die hem door het UWV is geweigerd omdat hij reeds voor zijn militaire dienst arbeidsongeschikt was en in dienst korter dan drie maanden normaal arbeid heeft verricht. Geschil: De belanghebbende meent dat hij in dienst langer dan drie maanden normaal arbeid heeft verricht. De Rechtbank en de CRvB achtten de weigering onvoldoende gemotiveerd en hebben het UWV opgedragen opnieuw te beslissen; de CRvB heeft het UWV opgedragen ook na te gaan of andere weigeringsgronden bestaan. Het UWV heeft de aanvraag vervolgens opnieuw afgewezen omdat de belanghebbende aanspraak had op een Wajong-uitkering die hij door eigen toedoen niet geldend heeft kunnen maken. Doordat de Wamil subsidiair is ten opzichte van andere regelingen, heeft hij evenmin recht op een Wamil-uitkering. De CRvB achtte deze weigeringsgrond valide. Cassatiemiddel belanghebbende: (i) ondanks het ontbreken van een cassatiebepaling in de Wamil is het cassatieberoep ontvankelijk; (ii) de CRvB heeft de term “aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling” die “door toedoen van de belanghebbende (...) niet kunnen worden geldend gemaakt” ex art. 2(1)(a)(2º) Wamil verkeerd uitgelegd c.q. zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. A-G Wattel meent dat geen toegang tot de cassatierechter open staat, nu de Wamil geen cassatiebepalingen bevat, zodat art. 78(4) Wet RO aan ontvankelijkheid van zijn beroep in cassatie in de weg staat. De wetgever wilde weliswaar met de oorspronkelijke Wamil in dezelfde rechtsbescherming voorzien als in de toenmalige ZW en WAO, maar geen van die twee wetten bevatte destijds enige cassatiebepaling. De wetgever heeft een beperkte toegang tot de cassatierechter nadien wél ingevoerd in de ZW en de WAO, maar niet in de Wamil. Die cassatiemogelijkheid dient niet zozeer de rechtsbescherming als wel de rechtseenheid door uniforme uitleg van bepaalde wettelijke termen bij de heffing van loonbelasting, premies volksverzekeringen en premies werknemersverzekeringen en bij de toekenning van uitkeringen op basis van de volks- en werknemersverzekeringen. De ZW- en WAO-begrippen ter zake waarvan cassatieberoep is opengesteld, komen in de Wamil niet voor, zodat cassatieberoep ter zake van Wamil-begrippen geenszins in de rede lag. Hoe dan ook zou het de mogelijkheden van de rechter te buiten gaan om thans in de Wamil termen aan te moeten wijzen over de interpretatie waarvan in cassatie zou moeten kunnen worden geklaagd. De door de belanghebbende ingeroepen civiele arresten HR NJ 1983/369 en HR NJ 1986/242 doen aan een en ander niet af, nu zij andere kwesties betroffen dan de litigieuze. Rechtstreeks werkend internationaal recht noopt evenmin tot ontvangst van het cassatieberoep. Nu het om toegang tot de rechter gaat, is een wide margin of appreciation weliswaar niet aan de orde, maar uitgaande van de ratio van de cassatiebepalingen in de ZW en de WAO (uniformiteit van uitleg van bepaalde termen in de loonbelastingwetgeving en de sociale-verzekeringswetgeving) zijn een ZW- of WAO-aanvrager en een Wamil-aanvrager geen gelijke gevallen met betrekking tot toegang tot de cassatierechter. De rechtsbescherming in de Wamil voldoet voorts op zichzelf beschouwd aan de eisen die het Europese Hof voor Rechten van de Mens (EHRM) stelt. Voor het geval de Hoge Raad meent dat wel geklaagd kan worden over verkeerde toepassing van het begrip “aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling” die “door toedoen van de belanghebbende (...) niet kunnen worden geldend gemaakt” ex art. 2(1)(a)(2º) Wamil, meent de A-G dat deze klacht faalt omdat het oordeel dat belanghebbendes kennelijk vrijwillige verhuizing naar het buitenland als “toedoen van de belanghebbende” in de zin van art. art. 2(1)(a)(2º) Wamil kan gelden, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting; het EU-recht - het vrije werknemersverkeer en het recht op reizen en verblijven - staat voorts niet in de weg aan de ingezetene-eis in de Wajong. Alsdan acht de A-G het beroep ongegrond. Conclusie: cassatieberoep niet-ontvankelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken