CRvB 17 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7330
Weigering Wamil-uitkering te verstrekken. Raad: Bepaald is dat er aanspraak op Wamil-uitkering bestaat doch slechts indien en voor zoverre geen aanspraken krachtens andere wettelijke regeling geldend gemaakt kunnen worden. In art. 2 van de Wamil is nader bepaald wat in het kader van de uitvoering van de Wamil wel respectievelijk niet begrepen wordt onder “aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling”. Op grond van het bepaalde onder 1a ten tweede van dit artikel worden daaronder ook begrepen: “aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling, indien deze door toedoen van de belanghebbende of in verband met het doormaken van wachtdagen niet kunnen worden geldend gemaakt”. Uit het voorgaande volgt dat de Wamil een aanvullend karakter heeft en dat aanspraken ingevolge een andere wettelijke regeling prevaleren boven die krachtens de Wamil. Het Uwv is van mening dat appellant van zijn op 1 februari 1986 ingetreden arbeidsongeschiktheid aanspraak op uitkering krachtens een andere wettelijke regeling kan maken. Het feit dat de aanspraak op uitkering op grond van de Wajong per 31 januari 1987 niet geldend is gemaakt, dan wel niet geldend gemaakt kan worden in verband met verblijf in het buitenland, maakt dit niet anders. Uit de toelichting op de wet volgt immers dat beoogd is om een voorziening te treffen voor gewezen militairen die tijdens hun dienst niet verzekerd konden worden voor de Wao. Toekenning van een Wamil-uitkering aan gewezen militairen die reeds voor aanvang van hun dienst arbeidsongeschikt zijn geworden valt niet binnen deze doelstelling.
De uitspraak op rechtspraak.nl