Conclusie A-G Vegter 9 oktober 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX6945

Uitlevering. OM-cassatie. De Rb heeft vastgesteld dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de verzoekende Staat de uitlevering van de opgeëiste persoon uitsluitend heeft verzocht om hem te kunnen vervolgen t.z.v. het in art. 146 van het Turkse WvSr omschreven delict. Die uitleg van de stukken is niet onverenigbaar met de bewoordingen waarin zij zijn gesteld, en moet derhalve in cassatie worden geëerbiedigd. De enkele omstandigheid dat het uitleveringsverzoek onderscheidenlijk de nota van de ambassade van de Republiek Turkije aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken te ’s-Gravenhage een verwijzing bevat naar de art. 1 en 2 van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, dwingt niet tot een ander oordeel. In aanmerking genomen dat blijkens voormelde nota de verzoekende Staat op de hoogte was gesteld van het lot van een eerder uitleveringsverzoek in een andere zaak dat uitsluitend was gebaseerd op voormeld art. 146, en dat door het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie nadrukkelijk de vraag was gesteld of de onderhavige uitlevering enkel werd verzocht t.z.v. art. 146, had het op de weg van de verzoekende Staat gelegen expliciet aan te geven dat en in hoeverre het uitleveringsverzoek niet alleen o.b.v. art. 146 diende te worden beoordeeld, en kon de Rb oordelen dat zulks in onvoldoende mate was geschied.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen