Conclusie A-G Vegter 17 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW2489

Uitlevering aan de VS. 1. Art. 26 UW. 2. Art. 3 EVRM. Ad 1. Niettegenstaande de huidige bewoordingen waarin het is gesteld moet worden aangenomen dat art. 26.1 UW er niet aan in de weg staat dat de rechtbank de oproeping van getuigen of deskundigen niet alleen kan gelasten met het oog op de vaststelling van de identiteit van de opgeëiste persoon maar ook indien zij zulks noodzakelijk acht in het kader van haar onderzoek van de ontvankelijkheid van het verzoek tot uitlevering en de mogelijkheid van inwilliging daarvan. De Rechtbank heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard. De afwijzing van de diverse gedane verzoeken door de Rechtbank is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ad 2. Uitlevering is ontoelaatbaar als de opgeëiste persoon in verband met de zaak met betrekking waartoe uitlevering wordt gevraagd is gefolterd door functionarissen van de verzoekende staat (vgl. HR LJN ZD0547). Het oordeel van de Rechtbank dat de gestelde foltering niet aan uitlevering in de weg staat aangezien niet is gebleken dat de opgeëiste persoon door of door toedoen van functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd en dat - indien en voor zover de opgeëiste persoon in Pakistan is gefolterd - in ieder geval niet is gebleken van enige directe betrokkenheid van hen daarbij getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige is de verwerping van het verweer feitelijk en niet onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen