Conclusie A-G Knigge 31 januari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BQ8891
Art. 44 en 361 Sr. De tenlastelegging en bewezenverklaring onder 1 en 2 zijn toegesneden op art. 44 en art. 361 Sr. De tekst van deze bepalingen biedt geen steun aan de door het middel voorgestane opvatting dat onder “in zijn bediening” in art. 361 Sr moet worden verstaan “in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en dat de bewezenverklaring van feit 2 tegenstrijdig is met de bewezenverklaring onder 1, nu art. 44 Sr slechts zou zien op het “oneigenlijk” gebruik van de daarin bedoelde gelegenheid die de ambtenaar door zijn ambt is geschonken. Voor een ambtsdelict als art. 361 Sr wordt met de term “in zijn bediening” slechts tot uitdrukking gebracht dat het ambt van verdachte hem tot de verweten gedragingen in staat heeft gesteld; of die bediening rechtmatig of onrechtmatig was, is daarvoor niet van belang. Bij toepasselijkheid van art. 44 Sr zal veelal sprake zijn van “oneigenlijk gebruik” van de in die bepaling bedoelde gelegenheid; dat moet echter niet als vereiste in art. 44 Sr worden ingelezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl