Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 15 november 2024, ECLI:NL:OGEAC:2024:187

Belanghebbende heeft in Curaçao aangifte IB gedaan en hierin loon uit dienstbetrekking uit een naar Curaçaos recht opgerichte vennootschap aangegeven. Belanghebbende heeft voor de inkomsten uit Curaçao ook aangifte gedaan in zijn woonplaats Aruba. In deze aangifte heeft hij ter zake van deze inkomsten verzocht om voorkoming van dubbele belasting. Bij het opleggen van de aanslagen is de Inspecteur der Belastingen Aruba afgeweken van de aangiften en heeft geen voorkoming van dubbele belasting verleend. Belanghebbende heeft vervolgens de Inspecteur der Belastingen Curaçao verzocht om teruggaaf. De Inspecteur heeft dit verzoek aangemerkt als bezwaren tegen de in Curaçao opgelegde aanslagen IB en premies. Het Gerecht is van oordeel dat sprake is van een ontvankelijk beroep. Het Gerecht is verder van oordeel dat de Inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De bezwaren zijn te laat ingediend en er is geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding. Een nadien opgekomen reden, in het onderhavige geval de afwijking van de aangiften in Aruba, kan niet bewerkstelligen dat een inmiddels plaatsgehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt. Ter vermijding van dubbele heffing wijst het Gerecht op de in artikel 35 van de BRK opgenomen regeling voor onderling overleg.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken