Art. 35 BRK, Bijzondere bepalingen
Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK)
1. Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een of van beide landen voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze Rijkswet kan hij, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de wetgeving van die landen voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde autoriteit van het land waarvan hij inwoner is, of, indien het geval valt onder artikel 1, tweede lid, aan die van het land naar welks recht het lichaam is opgericht. Het geval moet worden voorgelegd binnen drie jaren nadat de maatregel die leidt tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze Rijkswet, voor het eerst te zijner kennis is gebracht.
2. De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de bevoegde autoriteit van het andere land te regelen ten einde een belastingheffing die niet in overeenstemming is met deze Rijkswet te vermijden. De overeengekomen regeling wordt uitgevoerd niettegenstaande de verjaringstermijnen in de nationale wetgeving van de landen.
3. De bevoegde autoriteiten van de landen trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van deze Rijkswet in onderlinge overeenstemming op te lossen. Zij kunnen ook met elkaar overleg plegen teneinde dubbele belasting ongedaan te maken in gevallen waarvoor in de Rijkswet geen voorziening is getroffen.
4. De bevoegde autoriteiten van de landen kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen teneinde een overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken. Indien voor het bereiken van overeenstemming een mondelinge gedachtenwisseling raadzaam lijkt, kan zulk een gedachtenwisseling plaatsvinden in een commissie die bestaat uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de landen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 22 januari 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:9
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 15 november 2024, ECLI:NL:OGEAC:2024:187
- Rb. Arnhem 15 mei 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BI8836
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 18 december 2025, ECLI:NL:OGEAC:2025:282
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 4 april 2017, ECLI:NL:OGEAC:2017:44
- Hof Den Haag 20 maart 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ7372