HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:73
Verkrachting van 16-jarig meisje (art. 242 (oud) Sr) na heimelijk toebrengen van GHB. 1. Schriftuur benadeelde partij. Kan b.p. zich met vordering tot vergoeding van immateriële schade in strafproces voegen zonder opgave van concreet bedrag? 2. Kon hof schadevergoedingsmaatregel opleggen voor de door slachtoffer geleden immateriële schade, nu slachtoffer zich t.z.v. die schade niet als b.p. heeft gevoegd? 3. Motiveringseisen voor oplegging van schadevergoedingsmaatregel. Heeft hof zijn beslissing voldoende gemotiveerd, nu uit zijn overwegingen niet kan worden afgeleid o.b.v. welke in art. 6:106 BW vermelde grond en welke omstandigheden het hof zijn oordeel heeft gebaseerd dat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door slachtoffer geleden immateriële schade? Ad 1. B.p. heeft onvoldoende belang bij klacht. Hof heeft immers ten behoeve van b.p. een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor bedrag dat zij volgens haar verklaring ttz. in hoger beroep zou vorderen “als zij vordering zou indienen”, en daartegen gericht cassatieberoep van verdachte faalt. HR merkt op dat rechter immateriële schade naar billijkheid begroot. Dat brengt mee dat b.p. zich met vordering tot vergoeding van immateriële schade in strafproces kan voegen, ook zonder dat zij schade heeft begroot op concreet bedrag. Vordering strekt er dan toe dat rechter schade begroot (vgl. HR:2009:BJ7539). Ook in zo’n geval zal b.p. feiten en omstandigheden moeten stellen over manier waarop en mate waarin zij in persoon is aangetast en over gevolgen die zij van strafbaar feit heeft ondervonden, om rechter voldoende aanknopingspunten te bieden voor het naar billijkheid begroten van immateriële schade. Rechter moet ervoor zorgen dat verdachte in voldoende mate in gelegenheid is geweest zich over die f&o uit te laten. Ad 2. Schadevergoedingsmaatregel kan door rechter ook worden opgelegd als slachtoffer zich niet met vordering tot schadevergoeding als b.p. in strafproces heeft gevoegd. Dit lijdt uitzondering als rechter aanwijzingen heeft dat slachtoffer geen prijs stelt op schadevergoeding. Die aanwijzingen kunnen niet z.m. worden afgeleid uit feit dat slachtoffer zich niet met vordering in strafproces heeft gevoegd. Uitgangspunt dat slachtoffer geen prijs stelde op schadevergoeding mist feitelijke grondslag. Hof heeft weliswaar vastgesteld dat b.p. noch op voegingsformulier, noch ttz. in eerste aanleg een concreet bedrag t.z.v. immateriële schade heeft gevorderd, zodat “er thans geen vordering t.z.v. immateriële schadevergoeding ter beoordeling voorligt”, maar heeft uit voegingsformulier en toelichting daarop ttz. kennelijk afgeleid dat slachtoffer aanspraak maakte op vergoeding van immateriële schade. Ad 3. Art. 36f Sr bepaalt dat rechter aan verdachte verplichting kan opleggen tot betaling aan Staat van geldbedrag t.b.v. slachtoffer of personen genoemd in art. 51f.2 Sv, indien en v.zv. verdachte jegens slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor schade die door strafbaar feit is toegebracht. Oplegging van schadevergoedingsmaatregel en, v.zv. b.p. zich met vordering in strafproces heeft gevoegd, toewijzing van vordering b.p. kunnen naast elkaar plaatsvinden (vgl. HR:1999:ZD1408). Rechter moet oplegging van schadevergoedingsmaatregel o.g.v. art. 359.2 en 359.5 Sv motiveren. Dat betekent dat uit motivering in ieder geval zal moeten blijken dat en in hoeverre verdachte naar burgerlijk recht jegens slachtoffer aansprakelijk is voor schade die door strafbaar feit is toegebracht Als b.p. zich met vordering in strafproces heeft gevoegd, rechter deze vordering toewijst en ook schadevergoedingsmaatregel oplegt, zal begrijpelijkheid van oplegging van schadevergoedingsmaatregel in het algemeen volgen uit motivering van beslissing over vordering b.p. V.zv. rechter de schadevergoedingsmaatregel oplegt en niet ook vordering b.p. toewijst, omdat b.p. zich niet met vordering in strafproces heeft gevoegd of omdat er gronden zijn die in de weg staan aan toewijzing van die vordering die niet zien op materiële verschuldigdheid van die vordering, zal uit beslissing moeten volgen waarom verdachte jegens slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor schade die door strafbaar feit is toegebracht. Daarbij is ook voor oplegging van schadevergoedingsmaatregel van belang dat het in beginsel aan slachtoffer is f&o te stellen (en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen) waaruit schade kan worden afgeleid (vgl. HR:2019:793). Hierbij kan ook OM een rol spelen. Oplegging van schadevergoedingsmaatregel is dus niet mogelijk als rechter over onvoldoende gegevens beschikt om te kunnen vaststellen dat verdachte jegens slachtoffer aansprakelijk is voor de door slachtoffer geleden schade, waaronder gegevens die bepalend zijn voor aard en omvang van geleden schade. Verder moet rechter er ook bij oplegging van schadevergoedingsmaatregel voor zorgen dat beide partijen in voldoende mate in gelegenheid zijn geweest zich over die f&o uit te laten. Begrijpelijkheid van oplegging van schadevergoedingsmaatregel is in zo’n geval mede afhankelijk van manier waarop debat over die schade is gevoerd en stukken die in dat verband in geding zijn gebracht. Hof heeft geoordeeld dat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor immateriële schade die door bewezenverklaard feit aan slachtoffer is toegebracht. Hof heeft omvang van die schade naar billijkheid vastgesteld op € 5.000. ’s Hofs in zijn overwegingen besloten liggende oordeel dat aard en ernst van normschending meebrengen dat in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor benadeelde zo voor de hand liggen dat aantasting in persoon kan worden aangenomen a.b.i. art. 6:106.b BW, is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl