HR 16 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7650

Dwingen door een feitelijkheid of door geweld ex art. 242 Sr? Vooropgesteld moet worden dat van door een feitelijkheid dwingen – i.d.z.v. art. 242 Sr - tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam slechts sprake kan zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan (vgl. o.m. HR LJN ZD1101). ’s Hofs oordeel dat i.c. sprake is van ‘door een feitelijkheid dwingen’ a.b.i. art. 242 Sr geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte door het slachtoffer een slaapmiddel toe te dienen haar opzettelijk in een zodanige toestand van fysieke weerloosheid heeft gebracht, dat zij als gevolg daarvan niet of zeer moeilijk in staat was zich tegen de bewezenverklaarde seksuele handelingen te verzetten. Aan een toereikende motivering van de bewezenverklaring doet niet af dat de verdachte niet (tevens) een bedreigende sfeer heeft doen ontstaan. Anders dan het middel kennelijk veronderstelt, heeft het Hof niet vastgesteld dat de verdachte louter door misleiding van zijn kant omtrent het doel van de behandeling het slachtoffer de seksuele handelingen heeft doen ondergaan. Opmerking verdient dat de omstandigheid dat het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht met het plegen van geweld kan worden gelijkgesteld (art. 81 Sr), het Hof niet ervan behoefde te weerhouden het onderhavige handelen van de verdachte aan te merken als dwang door een feitelijkheid a.b.i. art. 242 Sr.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen