HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:48
Mishandeling door in woning van zijn voormalige partner een ander meermalen tegen zijn gezicht te stompen, art. 300.1 Sr. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Is sprake van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106.b BW? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 m.b.t. aantasting in persoon ‘op andere wijze’. Hof heeft vastgesteld dat verdachte de b.p. meermalen tegen gezicht heeft gestompt. Daarnaast heeft hof overwogen dat uit dossier niet volgt dat b.p. als gevolg daarvan “(objectief waarneembaar) letsel heeft bekomen”. Vervolgens heeft hof geoordeeld dat aard en ernst van normschending meebrengen dat in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor b.p. zo voor de hand liggen, dat aantasting in persoon kan worden aangenomen. ‘s Hofs daarin besloten liggende oordeel dat aard en ernst van normschending in dit geval zo ingrijpend zijn dat onderbouwing met concrete gegevens van die aantasting in persoon achterwege kan blijven, is niet zonder meer begrijpelijk. Dat b.p. nog heeft aangevoerd dat hij zich na gebeurtenis mentaal en fysiek niet in staat achtte om te werken en hij bang was en nog steeds is voor verdachte, kan niet tot ander oordeel leiden. Dat brengt mee dat ook oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR:2019:901). Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. vordering b.p. t.z.v. immateriële schade en oplegging van schadevergoedingsmaatregel.
De uitspraak op rechtspraak.nl