HR 24 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:426
Diefstal van fopspeen uit supermarkt, art. 310 Sr. Beroep op bewijsuitsluiting t.a.v. bij politie afgelegde verklaring van verdachte, nu als kwetsbaar aan te merken verdachte voorafgaand aan en tijdens politieverhoor geen rechtsbijstand heeft gehad. Kon hof oordelen dat verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van recht op rechtsbijstand? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2024:556 m.b.t. recht op rechtsbijstand van kwetsbare verdachte a.b.i. art. 28b.1 Sv en mogelijkheid om afstand te doen van dat recht. Op tz. in hoger beroep heeft raadsvrouw het verweer gevoerd dat verdachte, die was aangehouden op verdenking van diefstal, als kwetsbaar had moeten worden aangemerkt en dat zij ten onrechte niet in gelegenheid is gesteld voorafgaand aan politieverhoor een advocaat te raadplegen. Daartoe heeft raadsvrouw o.m. aangevoerd dat verdachte bij politie heeft verklaard dat zij aan psychoses leed en daarvoor onder behandeling was, en dat zij, terwijl zij geen kinderen heeft, fopspeen heeft weggenomen omdat speen ‘prettig’ is. Raadsvrouw heeft ook naar voren gebracht dat verdachte bij haar voorgeleiding voor hulp-OvJ niet heeft gereageerd op vraag of zij bij verhoor bijstand van advocaat wilde hebben. Hof heeft geoordeeld dat geen concrete f&o zijn gesteld op grond waarvan politie verdachte had moeten aanmerken als kwetsbare verdachte en op grond daarvan verweer verworpen dat verdachte (ex art. 28b.1 Sv) in de gelegenheid had moeten worden gesteld om advocaat te raadplegen voordat zij werd verhoord. Daarmee heeft hof kennelijk ook geoordeeld dat verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van recht op rechtsbijstand. Deze oordelen zijn, gelet op wat door raadsvrouw ttz. in h.b. is aangevoerd, niet toereikend gemotiveerd. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl