HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:556

Poging tot zware mishandeling door ander met een mes te steken, art. 302.1 Sr. Verweer dat als kwetsbaar aan te merken verdachte ten onrechte voorafgaand en tijdens politieverhoor geen rechtsbijstand heeft gehad. Welke eisen gelden voor doen van afstand van recht op rechtsbijstand, als niet-aangehouden verdachte die moet worden aangemerkt als kwetsbare verdachte, bij (eerste) politieverhoor kenbaar maakt geen gebruik te willen maken van recht op rechtsbijstand? Art. 6.3.c EVRM kent verdachte recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in WvSv. O.g.v. art. 28 Sv is verdachte bevoegd zich te doen bijstaan door gekozen of aangewezen raadsman. Verdachte kan afstand doen van recht op rechtsbijstand. In die mogelijkheid is voorzien in art. 28a.1 Sv, dat omzetting is van art. 9.1 Richtlijn 2013/48/EU. Deze afstand moet vrijwillig en ondubbelzinnig worden gedaan door verdachte. Waar het gaat om doen van afstand i.v.m. (eerste) politieverhoor, is van belang dat verdachte ermee bekend is dat hij recht heeft op rechtsbijstand, dat hij wordt ingelicht over gevolgen van doen van afstand en dat hem wordt medegedeeld dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. Voorschriften van art. 27c en 28a.2 Sv waarborgen dat verdachte alle hiervoor relevante informatie wordt verstrekt. Als zich f&o voordoen die met zich brengen dat verdachte niet in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen over doen van afstand, is van vrijwillige afstand geen sprake. Waar het gaat om (eerste) politieverhoor van aangehouden verdachte, geeft WvSv voor aantal gevallen aanvullende regels over aanwijzing van raadsman en doen van afstand van recht op rechtsbijstand. Dat is o.m. het geval als aangehouden verdachte vanwege bijvoorbeeld psychische stoornis of verstandelijke beperking een kwetsbare verdachte betreft a.b.i. art. 28b.1 Sv. O.g.v. art. 28b.1 Sv moet dan raadsman worden aangewezen. Rechtsbijstand van deze raadsman is o.g.v. art. 43.1 Wet op de rechtsbijstand voor verdachte kosteloos. Verder kan kwetsbare verdachte in zo’n geval o.g.v. art. 28c.2 Sv alleen afstand doen van recht op bijstand door raadsman voorafgaand aan eerste verhoor nadat hij door raadsman over gevolgen van die afstand is ingelicht. In geval dat verdachte die niet is aangehouden, door politie wordt verhoord, voorziet WvSv niet in vergelijkbare bepalingen over aanwijzing van raadsman ten behoeve van kwetsbare verdachte en doen van afstand van recht op rechtsbijstand door kwetsbare verdachte. Door minister voor Rechtsbescherming en minister van Justitie en Veiligheid is voornemen geuit rechtspositie van niet-aangehouden kwetsbare verdachten te versterken (Kamerstukken II 2022/23, 36327, nr. 4, p. 60). Met het oog daarop is op 23 januari 2024 ontwerpwetsvoorstel voor Wet versterking rechtsbijstand in het strafproces gepubliceerd, waarin o.m. nadere regels zijn opgenomen over rechtsbijstand van niet-aangehouden kwetsbare verdachten bij (eerste) politieverhoor. Beoogd wordt hiermee invulling te geven aan zorgplicht voor bescherming van kwetsbare verdachten die voortvloeit uit Richtlijn 2013/48/EU. Omstandigheid dat WvSv (vooralsnog) niet voorziet in specifieke, op (eerste) politieverhoor van niet-aangehouden kwetsbare verdachte toegesneden bepalingen, doet er niet aan af dat voor beantwoording van vraag of zo’n verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van recht op rechtsbijstand i.v.m. (eerste) politieverhoor, van belang kan zijn of verdachte voorafgaand aan verhoor bijstand heeft gehad van raadsman dan wel door raadsman is voorgelicht over gevolgen van doen van afstand. Als daarvan geen sprake is geweest, moet rechter zich er anderszins van vergewissen dat verdachte – gegeven de concrete beperkingen die samenhangen met kwetsbaarheid van verdachte – redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over mogelijke gevolgen van afstand van recht op rechtsbijstand en dus in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen over doen van afstand. Als rechter vaststelt dat verdachte weliswaar tijdens opsporingsonderzoek te kennen heeft gegeven afstand te doen van recht op rechtsbijstand voorafgaand of tijdens verhoor, maar afstand niet rechtsgeldig is omdat verdachte als gevolg van met zijn kwetsbaarheid samenhangende concrete beperkingen niet in staat was zijn wil te bepalen, is in beginsel sprake van vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv. Als daarover verweer wordt gevoerd, moet dat vormverzuim in de regel leiden tot uitsluiting van bewijs van verklaringen die verdachte zonder rechtsbijstand heeft afgelegd tijdens (eerste) politieverhoor. Dat rechtsgevolg hoeft echter niet noodzakelijkerwijs aan vormverzuim te worden verbonden als bewijsuitsluiting niet nodig is ter verzekering van recht van verdachte op eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM, zoals daaraan mede door het EHRM uitleg is gegeven, waaronder i.h.b. arresten Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk en Beuze/België. Hof heeft verweer verworpen dat als kwetsbaar aan te merken verdachte ten onrechte voorafgaand en tijdens politieverhoor geen rechtsbijstand heeft gehad. Hof heeft in dat verband kennelijk geoordeeld dat verdachte niet als kwetsbare verdachte hoeft te worden aangemerkt en dat zij in dat licht bezien rechtsgeldig afstand heeft gedaan van recht op rechtsbijstand. Dat oordeel is niet toereikend gemotiveerd. Hof heeft immers vastgesteld dat bij verdachte sprake is van autismespectrumstoornis en/of persoonlijkheidsstoornis, maar heeft er geen blijk van gegeven te hebben onderzocht of, gelet op die stoornis of stoornissen, verdachte redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over mogelijke gevolgen van doen van afstand van recht op rechtsbijstand. Gelet daarop kunnen door hof in aanmerking genomen omstandigheden – kort gezegd – over het vermogen van verdachte om vragen te begrijpen en over betrouwbaarheid van haar verklaringen, oordeel van hof niet dragen. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen