HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:403
Beklag ex art. 552a Sv door (inmiddels overleden) advocaat na beslag op stukken en digitale gegevensdragers onder twee cliënten van klager, waarbij klager beroep doet op zijn verschoningsrecht, in zaak waarin politie van inhoud van gegevensdragers kopie heeft gemaakt, gegevensdragers vervolgens aan cliënten zijn teruggegeven en kopie (inclusief mogelijke geheimhoudersstukken) nog ter beschikking staat van opsporingsautoriteiten. 1. Is klaagschrift vervallen doordat klager (na beschikking van Rb) is overleden? 2. Kon Rb beklag n-o verklaren omdat gegevensdragers waren teruggegeven? 3. Verdere afdoening van zaak na terugwijzing als verschoningsgerechtigde tijdens beklagprocedure is overleden. Ad 1. In beginsel moet klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv geacht worden door overlijden van klager te zijn vervallen (vgl. HR:2017:899). HR ziet aanleiding klaagschrift i.c. niet als vervallen te beschouwen omdat klager in hoedanigheid van advocaat beroep heeft gedaan op zijn verschoningsrecht n.a.v. inbeslagneming van gegevensdragers en voortzetting van klaagschriftprocedure in belang is van rechtzoekenden die zich om bijstand en advies tot klager als verschoningsgerechtigde hebben gewend (vgl. HR:1985:AC9066 en HR:2024:375). Ad 2. Rb heeft overwogen dat zij “binnen beperkte (wettelijke) mogelijkheden van onderhavige procedure” geen beslissing kan nemen “die aan alle te respecteren belangen recht doet” en heeft beklag n-o verklaard op enkele grond dat gegevensdragers zijn teruggegeven. Dat oordeel is niet begrijpelijk in het licht van eerder procesverloop, waaruit naar voren komt dat klaagschrift mede betrekking heeft op gebruik en kennisneming van (kopieën van) de gegevens op de grond dat deze object zijn van verschoningsrecht van klager. Dat gegevensdragers zijn teruggegeven doet daaraan niet af omdat klaagschrift ook betrekking heeft op kopieën die ter beschikking van opsporingsautoriteiten staan (vgl. HR:2020:369). Over die kennisneming en dat gebruik moet beslissing worden genomen met inachtneming van HR:2016:2537 over (overeenkomstige) toepassing van art. 125i en 98 Sv. Ad 3. Als verschoningsgerechtigde tijdens beklagprocedure is overleden, brengt maatschappelijk belang dat aan verschoningsrecht ten grondslag ligt met zich dat in beklagprocedure gezaghebbend vertegenwoordiger van beroepsgroep van verschoningsgerechtigde (zoals plaatselijk deken van Orde van Advocaten) in gelegenheid wordt gesteld zich uit te laten over verschoningsrecht m.b.t. betreffende stukken en gegevens i.v.m. bescherming van belangen van rechtzoekenden die zich om bijstand en advies tot verschoningsgerechtigde hebben gewend. Na terugwijzing wordt beklagprocedure voortgezet door deze vertegenwoordiger dan wel een door hem aangewezen beroepsgenoot. Rb kan klaagschrift n-o verklaren vanwege gebrek aan belang als (kopieën van) gegevens zijn vernietigd. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders. Samenhang met HR:2025:404 en HR:2025:405 (zaken van cliënten van klager).
De uitspraak op rechtspraak.nl