HR 4 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:181
Medeplegen oplichting van factoringbedrijven (art. 326.1 Sr). 1. Verhoorbijstand. Is gebruik voor bewijs van verklaring die verdachte in eerdere strafzaak bij politie heeft afgelegd zonder dat hij tijdens verhoor werd bijgestaan door raadsman in strijd met art. 6 EVRM? 2. Post-Keskin. Is gebruik voor bewijs van verklaringen van getuige (medeverdachte) in strijd met art. 6 EVRM, nu verdediging geen effectieve mogelijkheid heeft gehad ondervragingsrecht uit te oefenen omdat getuige zich op verschoningsrecht heeft beroepen? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1985 m.b.t. beoordeling of veroordeling in strijd is met art. 6 EVRM in geval verdachte geen verhoorbijstand heeft gehad. Bewezenverklaring steunt onder meer op voor bewijs gebruikte verklaring van verdachte, inhoudende wat zijn telefoonnummer is. Hof heeft vastgesteld dat verdachte deze verklaring heeft afgelegd in verhoor door politie zonder bijstand van raadsman, terwijl verdachte geen afstand had gedaan van recht op verhoorbijstand en niet is gebleken van dwingende reden verdachte in dat recht te beperken. Hof heeft vervolgens aan hand van factoren die zijn ontleend aan rechtspraak van EHRM (genoemd in HR:2019:1985) geoordeeld dat gebruik voor bewijs van deze verklaring van verdachte niet onverenigbaar is met zijn recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM. Dat oordeel getuigt gelet op wat is vooropgesteld, niet van onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op de door hof vastgestelde feiten en omstandigheden, die hof daarbij in aanmerking heeft genomen, niet onbegrijpelijk. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:576 en HR:2021:1418 m.b.t. gevallen waarin rechter voor bewijs gebruik wil maken van een door getuige afgelegde verklaring, terwijl verdediging niet behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om t.a.v. getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, vraag of proces als geheel eerlijk is verlopen, gewicht van verklaring, reden voor uitblijven van ondervragingsgelegenheid en bestaan van voldoende compenserende factoren. Verdediging heeft verklaringen van getuige betwist v.zv. hij heeft verklaard over betrokkenheid van verdachte bij oplichting. Hof heeft (in cassatie onbestreden) geoordeeld dat goede reden bestond voor uitblijven van effectieve mogelijkheid voor verdediging om getuige te ondervragen, namelijk dat hij zich als getuige op verschoningsrecht heeft beroepen. Hof heeft door getuige bij politie afgelegde verklaringen over o.m. betrokkenheid van verdachte bij tlgd. oplichting voor bewijs gebruikt. M.b.t. dit gebruik heeft hof o.m. overwogen dat bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op die verklaringen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat hof aan oordeel dat verdachte medepleger is van tlgd. oplichting gezien zijn bewijsoverweging i.h.b. ten grondslag heeft gelegd dat verdachte actief heeft deelgenomen aan groepsapp, die werd gebruikt door verdachte en zijn medeverdachten om te overleggen over handelingen die moesten worden verricht om slachtoffer op te lichten, en dat hij valse documenten die zijn gebruikt bij oplichting heeft aangeleverd aan getuige. Hof heeft betrokkenheid van verdachte, naast verklaring van getuige dat verdachte en medeverdachte spullen zoals bankafschriften aanleverden, ook gebaseerd op (i) verklaring van medeverdachte dat getuige en verdachte samen bezig zijn geweest met oplichten van slachtoffer en dat verdachte een van hoofdrolspelers is in deze zaak, (ii) inhoud van berichten in genoemde groepsapp, waarin informatie wordt uitgewisseld over inloggen op de door medeverdachte aangemaakte e-mailadressen en verdachte o.m. vraagt om wachtwoord van door medeverdachte aangemaakte e-mails, en (iii) tekstbericht op telefoon die is aangetroffen bij medeverdachte waaruit hof heeft afgeleid dat het verdachte was die facturen voor slachtoffer moest maken en dat verder inhoudt dat verdachte “inlog van mail” heeft. Hof heeft verder overwogen dat deze andere bewijsmiddelen voor betrokkenheid van verdachte bij tlgd. oplichting, in onderlinge samenhang beschouwd, verklaring van getuige ondersteunen. Daarbij heeft hof i.h.b. in aanmerking genomen dat verklaring van getuige over rol van verdachte als degene die valse stukken aanleverde, steun vindt in het onder (iii) genoemde tekstbericht. Kennelijk heeft hof daarnaast omstandigheid dat deze b.m. inhoud van voor bewijs gebruikte verklaringen van getuige ondersteunen, in aanmerking genomen bij zijn onderzoek naar betrouwbaarheid van die verklaringen. Gelet hierop getuigt ‘s hofs oordeel dat procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces, ook zonder dat er nog andere compenserende factoren waren, niet van onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders m.b.t. gebruik voor bewijs van getuigenverklaring. Samenhang met 22/02523, 22/02703, 22/02704 P, 22/02705 P, 22/02706, 22/02739 en 22/02758.
De uitspraak op rechtspraak.nl