HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1985
Feitelijke leiding geven aan opzettelijk onjuist/onvolledig doen van aangifte omzetbelasting begaan door rechtspersoon, meermalen gepleegd (art. 69 AWR). 1. Salduz. Verhoorbijstand. Levert het gebruik van verklaringen die verdachte heeft afgelegd in oktober 2007 tijdens verhoren bij de FIOD zonder dat hij werd bijgestaan door een raadsman strijd op met recht op een eerlijk proces ex art. 6 EVRM? 2. Voorwaardelijk opzet op onjuistheid van belastingaangiften? 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608 inhoudende dat verdachte vanaf dat moment recht heeft op aanwezigheid en bijstand van een raadsman tijdens zijn eerste verhoor, alsmede de daarop volgende verhoren door de politie, behoudens bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken. Gelet op recente rechtspraak van het EHRM, i.h.b. Beuze/België, kan ook m.b.t. verhoren die hebben plaatsgevonden in de periode voorafgaand aan 22 december 2015 de vraag aan de orde komen of de omstandigheid dat een verdachte in een concreet geval geen verhoorbijstand heeft gekregen, meebrengt dat de veroordeling van de verdachte niet berust op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Indien in dat geval geen sprake was van dwingende redenen, zal die vraag moeten worden beantwoord met inachtneming van o.m. de factoren genoemd in de rechtspraak van het EHRM, waaronder i.h.b. Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk. Indien langs die weg wordt vastgesteld dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces ex art. 6 EVRM niet is geschonden, doet zich dus evenmin een geval voor a.b.i. ECLI:NL:HR:2013:BY5321, rov. 2.4.4, waarin “bewijsuitsluiting (...) noodzakelijk [kan] zijn ter verzekering van het recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, zoals daaraan mede door het EHRM uitleg is gegeven”. I.c. staat vast dat verdachte bij het afleggen van door Hof voor bewijs gebruikte verklaringen van oktober 2007 geen verhoorbijstand heeft gekregen. Afweging van de omstandigheden van het onderhavige geval, waaronder i.h.b. in CAG onder 25 genoemde omstandigheden alsmede ’s Hofs vaststelling dat verdachte – na consultatie van zijn raadsman - niet om verhoorbijstand heeft gevraagd, had Hof, ook na indringend onderzoek, niet tot een ander oordeel kunnen leiden dan dat het gebruik van de verklaringen van verdachte voor het bewijs, geen schending oplevert van art. 6 EVRM. Evenmin brengen die omstandigheden mee dat deze verklaringen dienden te worden uitgesloten van het bewijs. 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:733 m.b.t. strafrechtelijke aansprakelijkheid van feitelijke leidinggever en opzet van leidinggever. Het oordeel van het Hof dat verdachte als feitelijk leidinggever (telkens) bewust de aanmerkelijke kans op het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting door de rechtspersoon heeft aanvaard, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Volgt verwerping. Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:830.
De uitspraak op rechtspraak.nl