HR 4 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1625
Kinderontvoering naar India. Uitlokking medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282.1 Sr) en (medeplegen) onttrekking van minderjarige aan wettig gezag (art. 279.2 Sr) door in 2016 in Amsterdam zijn 2-jarige dochter met geweld te laten weghalen bij haar moeder en haar naar India te laten brengen. Had hof ambtshalve niet-verschenen verdachte in de gelegenheid moeten stellen via videoconferentie a.b.i. art. 131a Sv aan onderzoek ttz. in hoger beroep deel te nemen? V.zv. middel is gericht tegen het uitblijven van beslissing van voorzitter hof om verdachte op zitting te horen per videoconferentie a.b.i. art. 131a Sv, moet middel onbesproken blijven. Eventueel gebruik van videoconferentie betreft beslissing die voorzitter i.h.k.v. orde op zitting kan nemen. Tegen (het uitblijven van) deze beslissing staat geen h.b. of cassatieberoep open (vgl. HR:2024:1771). Opvatting dat art. 6 EVRM in geval als dit (waarin (i) verdachte in het buitenland verblijft en (ii) tegen hem bevel tot gevangenneming is gegeven) eraan in de weg staat dat onderzoek ttz. wordt voortgezet, als niet-verschenen verdachte niet ambtshalve in de gelegenheid wordt gesteld via videoconferentie aan dat onderzoek deel te nemen, is niet juist. Onder omstandigheden kan door gebruik van videoconferentie a.b.i. art. 131a Sv recht van fysiek op zitting afwezige verdachte op “a fair and public hearing” worden gerealiseerd (vgl. EHRM nr. 66580/12 (Bivolaru/Roemenië (2)) en HR:2019:709). Uit rechtspraak EHRM volgt echter niet dat die gelegenheid van videoconferentie zonder meer moet worden geboden als verdachte vrijwillig afstand doet van zijn aanwezigheidsrecht of door afwezigheid probeert aan zijn berechting te ontkomen. Eventuele vrees van verdachte voor gevangenneming als hij proces in Nederland zou bijwonen, maakt dit niet anders. Volgt verwerping. Samenhang met 24/01916, 24/01953, 24/02019 en 24/02184. Vervolg op HR:2022:1765.
De uitspraak op rechtspraak.nl