HR 30 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1436

Medeplegen lokaalvredebreuk in hal van ministerie van Economische Zaken tijdens demonstratie (art. 139.1 Sr) en medeplegen opzettelijk storen van geoorloofde openbare vergadering van Tweede Kamer tijdens demonstratie, art. 144 Sr. 1. Verweer m.b.t. lokaalvredebreuk strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en 11 EVRM. 2. Verweer m.b.t. verstoren van vergadering van tweede kamer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en 11 EVRM. Ad 1. Om redenen vermeld in HR:2025:1313 slaagt middel. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:126 m.b.t. optreden van autoriteiten i.v.m. strafbaar feit dat tijdens demonstratie is begaan. Bij beantwoording van vraag of beperking van recht op vrijheid van vreedzame vergadering in democratische samenleving noodzakelijk is, kan o.m. locatie van demonstratie, in verband waarvan strafbaar feit heeft plaatsgevonden, van belang zijn. Zo kan mede betekenis toekomen aan omstandigheid dat “private property” in geding is (vgl. EHRM nr. 44306/98 (Appleby tegen Verenigd Koninkrijk)). Als dat strafbare feit leidt tot wezenlijke aantasting van genot van “private property” geldt niet zonder meer “degree of tolerance” die in beginsel wel in acht moet worden genomen als vreedzame, tegen overheidsbeleid gerichte, demonstratie in publieke plaats (zoals gebouw dat bij overheid in gebruik is of gebouw dat anderszins publieke functie heeft) tot “a certain level of disruption to ordinary life” leidt (vgl. EHRM nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. tegen Litouwen)). Als, in geval als dit, waarin verdachte wordt vervolgd wegens overtreding van art. 144 Sr, rechter tot oordeel komt dat in concrete omstandigheden van geval strafrechtelijk optreden als geheel disproportioneel is en het daarmee ontoelaatbare beperking van recht op vrijheid van vreedzame vergadering betreft, moet rechter art. 144 Sr buiten toepassing laten en verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging (vgl. HR:2024:1623). Hof heeft verweer verworpen en geoordeeld dat bewezenverklaard feit kan worden gekwalificeerd als strafbaar feit maar dat voor dit opzettelijk storen van geoorloofde openbare vergadering geen straf of maatregel wordt opgelegd. Overwegingen van hof kunnen niet ’s hofs oordeel dragen dat (verder) politieoptreden tegen verdachte en vervolging van verdachte door OM, toelaatbare beperking van recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering vormt. Met ’s hofs vaststellingen in zijn overwegingen is niet verenigbaar dat hof het verweer dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en 11 EVRM, heeft verworpen. HR merkt op dat in geval als dit bij beoordeling of strafrechtelijk optreden als geheel toelaatbare beperking van recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering vormt, als relevant gezichtspunt mag worden betrokken dat demonstratie plaatsvindt in parlementsgebouw en tot doel heeft parlementair proces te verstoren (vgl. EHRM nr. 23158/20 (Makarashvili e.a. tegen Georgië)). Hof heeft echter onvoldoende concreet in zijn overwegingen betrokken of (mede) door gedragingen van verdachte sprake was van zodanige verstoring van parlementair proces dat verdergaand strafrechtelijk optreden dan aanhouding, eventueel gevolgd door korte periode van vrijheidsontneming, was geboden. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/01579, 24/01580, 24/01581, 24/01582, 24/01583, 24/01584 en 24/01632. CAG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken