HR 30 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1313
Medeplegen lokaalvredebreuk in hal van ministerie van Economische Zaken tijdens demonstratie (art. 139.1 Sr). Verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en 11 EVRM. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:126 m.b.t. optreden van autoriteiten i.v.m. strafbaar feit dat tijdens demonstratie is begaan. Bij beantwoording van vraag of beperking van recht op vrijheid van vreedzame vergadering in democratische samenleving noodzakelijk is, kan o.m. locatie van demonstratie, in verband waarvan strafbaar feit heeft plaatsgevonden, van belang zijn. Zo kan mede betekenis toekomen aan omstandigheid dat “private property” in geding is (vgl. EHRM nr. 44306/98 (Appleby tegen Verenigd Koninkrijk)). Als dat strafbare feit leidt tot wezenlijke aantasting van genot van “private property” geldt niet zonder meer “degree of tolerance” die in beginsel wel in acht moet worden genomen als vreedzame, tegen overheidsbeleid gerichte, demonstratie in publieke plaats (zoals gebouw dat bij overheid in gebruik is of gebouw dat anderszins publieke functie heeft) tot “a certain level of disruption to ordinary life” leidt (vgl. EHRM nr. 37553/05 (Kudrevicius e.a. t. Litouwen)). Als, in geval als dit, waarin verdachte wordt vervolgd wegens overtreding van art. 139 Sr, rechter tot oordeel komt dat in concrete omstandigheden van geval strafrechtelijk optreden als geheel disproportioneel is en het daarmee ontoelaatbare beperking van recht op vrijheid van vreedzame vergadering betreft, moet rechter art. 139 Sr buiten toepassing laten en verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging (vgl. HR:2024:1623). Hof heeft verweer verworpen en geoordeeld dat bewezenverklaard feit kan worden gekwalificeerd als strafbaar feit maar dat voor deze lokaalvredebreuk geen straf of maatregel wordt opgelegd. Overwegingen van hof kunnen niet ’s hofs oordeel dragen dat (verder) politieoptreden tegen verdachte en vervolging van verdachte door OM, toelaatbare beperking van recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering vormt. V.zv. hof zijn oordeel heeft gebaseerd op overweging dat politieoptreden tegen verdachte en vervolging van verdachte door OM “niet afdoen aan wederrechtelijkheid van gedrag van verdachte” en daarom niet tot ontslag van alle rechtsvervolging “kunnen” leiden, heeft hof miskend wat hiervoor is vooropgesteld. V.zv. hof dit niet heeft miskend, heeft hof zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. Nu uit ‘s hofs overwegingen geen bijkomende omstandigheden blijken die met zich brengen dat verdergaand strafrechtelijk optreden was geboden, is verweer dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en 11 EVRM, ontoereikend gemotiveerd verworpen. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/01578, 24/01579, 24/01581, 24/01582, 24/01583, 24/01584 en 24/01632. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl