HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1216
Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. productie van amfetamine en/of MDMA, art. 10a.1.2 en 10a.1.3 Opiumwet. Afwijzing van getuigenverzoek vanwege onvindbaarheid van getuige (medeverdachte). Is aannemelijk dat getuige niet binnen aanvaardbare termijn kan worden gehoord a.b.i. art. 288.1.a. Sv? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:466 m.b.t. toepassing van art. 288.1.a. Sv, inhoudende dat daarbij vraag voorop staat of het mogelijk is getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen. Hof heeft oordeel dat onaannemelijk is dat medeverdachte binnen aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord, gemotiveerd aan hand van uitvoerig p-v van Rh-C van 7-4-2022. Hof heeft mede op grond daarvan vastgesteld dat Rh-C zich in redelijkheid alle inspanningen heeft getroost om medeverdachte als getuige te horen, dat er geen woon- of verblijfplaats van getuige kan worden achterhaald en dat ook anderszins niet duidelijk is waar hij verblijft en op welke wijze contact met hem kan worden opgenomen. Door dat p-v te betrekken bij zijn oordeelsvorming heeft hof er ook acht op geslagen dat is getracht woon- of verblijfplaats van getuige te achterhalen door contact te leggen met (voormalige) raadslieden van getuige en door op verschillende momenten raadplegen van gegevens in basisregistratie personen en strafrechtsketendatabank. Al deze, op zichzelf relevante, vaststellingen van hof doen er echter niet aan af dat oordeel van hof niet toereikend is gemotiveerd. Daarvoor is allereerst van belang dat uit genoemd p-v niet blijkt (terwijl hof op dat punt ook zelf geen vaststellingen heeft gedaan) dat Rh-C politie heeft betrokken bij haar inspanningen om ondervragingsmogelijkheid van getuige te realiseren, in het bijzonder door na te gaan of politie nog beschikt over andere, niet in BRP en strafrechtsketendatabank opgenomen, informatie die van belang kan zijn voor achterhalen van woon- of verblijfplaats van getuige. Daarnaast blijkt uit overwegingen van hof niet concreet of in periode na opmaken van p-v van 7-4-2022 en voorafgaand aan afwijzing van verzoek door hof op 28-4-2023, redelijkerwijs nog aanvullende inspanningen konden worden of zijn verricht om te bewerkstelligen dat getuige kon worden gehoord, bijvoorbeeld door opnieuw raadplegen van al genoemde informatiesystemen. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/01769 en 23/01818.
De uitspraak op rechtspraak.nl