Hof 's-Hertogenbosch 28 april 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1370

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van het voorbereiden van een delict zoals strafbaar gesteld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, onder aanvulling en verbetering van de gronden waarop het berust, behoudens de opgelegde straf. Het hof legt aan de verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof geconstateerd dat de rechtbank heeft verzuimd een beslissing te nemen op de vordering van de benadeelde partij. Het hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen