HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1055
Mallorcazaak. Uitgaansgeweld, o.m. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen (art. 141 Sr) waardoor een slachtoffer (A) is overleden. Vordering benadeelde partij. 1. Groepsaansprakelijkheid, art. 6:166.1 BW. Is verdachte aansprakelijk voor schade die verband houdt met letsel van A? 2. Vordering b.p. (ouders van A) t.a.v. immateriële schadevergoeding, art. 6:95.2 en 6:106 BW. Kon hof oordelen dat A (die door geweld direct bewustzijn heeft verloren, in coma is geraakt en is overleden, zonder nog bij bewustzijn te zijn geweest) immateriële schade heeft geleden en dat die schade (door vererving) in aanmerking komt voor vergoeding aan nabestaanden? 3. Vordering b.p. (vriendin van A) t.a.v. materiële schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud, art. 6:108.1 BW. Kon hof vordering toewijzen? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2015:2914 over groepsaansprakelijkheid. ’s Hofs oordeel dat kans op (door ernstig geweld van leden van groep waarvan verdachte deel uitmaakte) toebrengen van ernstig letsel aan A, alle aan vechtpartij deelnemende groepsleden, dus ook verdachte, had moeten weerhouden van hun eigen gedragingen in groepsverband, die bestonden uit hun eigen deelname aan plegen van ernstig geweld tegen leden van groep waarvan A deel uitmaakte, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Middel stelt vraag aan de orde of in een geval als dit (waarin slachtoffer door (gewelds)delict direct bewustzijn heeft verloren en vervolgens is overleden, zonder nog bij bewustzijn te zijn geweest) slachtoffer immateriële schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Voor toepassing van art. 6:106 BW moet het ervoor worden gehouden dat slachtoffer (door direct en blijvend verlies van bewustzijn) zich niet bewust kon zijn van zijn toestand na geweldsuitoefening en daardoor ook geen kennis zal hebben kunnen krijgen van hem toegebracht leed waarvoor toekenning van immateriële schadevergoeding ‘hoogstpersoonlijke’ vorm van compensatie beoogt te verschaffen. Dat brengt mee dat niet kan worden gezegd dat slachtoffer immateriële schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking kan komen. ’s Hofs andersluidende oordeel is onjuist. De vraag naar betekenis van de in art. 6:95.2 BW bedoelde mededeling en mogelijke rol van redelijkheid en billijkheid a.b.i. art. 6:2.2 BW in gevallen waarin deze mededeling ontbreekt, is daarom niet aan de orde. Nu gevorderde immateriële schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt, zal HR vordering van nabestaanden afwijzen. Ook oplegging schadevergoedingsmaatregel kan niet in stand blijven. Ad 3. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2024:644 over schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. Niet blijkt dat hof, rekening houdend met bijzonderheden van partijdebat, heeft beoordeeld of verdediging in voldoende mate in gelegenheid is geweest stellingen en onderbouwingen m.b.t. (betwisting van) toewijsbaarheid van vordering genoegzaam naar voren te brengen, en of zich omstandigheden voordeden die meebrachten dat hof, door eigen onderzoek te doen, compensatie moest bieden voor eventuele tekortkomingen daarin. ’s Hofs oordeel dat gevorderd bedrag van € 198.057 volledig voor toewijzing in aanmerking komt, is niet toereikend gemotiveerd. Ook oplegging schadevergoedingsmaatregel kan niet in stand blijven. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. beslissing op vorderingen van ouders (t.a.v. ‘vererfde immateriële schade’, met afwijzing in zoverre) en van vriendin (t.a.v. gederfd levensonderhoud) en oplegging van schadevergoedingsmaatregelen en terugwijzing. Samenhang met 24/01167, 24/01178, 24/01183 en 24/01204.
De uitspraak op rechtspraak.nl