HR 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:75
Huurmoord in Almere. Medeplegen van moord (art. 289 Sr), eendaadse samenloop van medeplegen van in brand steken van vluchtauto (art. 157.1 Sr) en beschadiging (art. 350.1 Sr) en medeplegen van opzetheling van vluchtauto (art. 416.1.a Sr). Relatieve bevoegdheid bij deelneming, art. 6.2 Sv. 1. Voor het eerst in hoger beroep gevoerd verweer over bevoegdheid van en vervolging voor Rb Midden-Nederland. 2. Wanneer is een vervolging ‘aangevangen’ a.b.i. art. 6.2, tweede volzin, Sv? Ad 1. Verweer in h.b. houdt in (a) dat zaak van verdachte in strijd met art. 6.2 Sv is aangebracht bij Rb Midden-Nederland, omdat die Rb niet bevoegd was om zaak tegen verdachte te behandelen, en (b) dat OM zaken van verdachte en medeverdachten niet bij dezelfde (bevoegde) Rb heeft aangebracht, zodat OM n-o is in vervolging. Ad (a). Nu zaak in eerste aanleg is behandeld in aanwezigheid van verdachte en raadsman en toen geen verweer is gevoerd over relatieve bevoegdheid van Rb, kon verdediging niet voor het eerst in h.b. met succes verweer over die bevoegdheid voeren (vgl. HR:2012:BU6094 en HR:2013:1360). Klacht over verwerping door hof van verweer over bevoegdheid van Rb Midden-Nederland stuit hierop af. Ad (b). Art. 6.2 Sv strekt ertoe dat zaken tegen medeverdachten door dezelfde rechter worden behandeld. Als situatie ontstaat die in strijd is met die bepaling, moet rechter voor wie medeverdachte terechtstaat van wie vervolging later is aangevangen, zich onbevoegd verklaren. Daarna is het aan OvJ om zaak tegen die medeverdachte alsnog aan te brengen bij o.g.v. art. 6.2 Sv bevoegd gerecht (vgl. HR:1999:ZD1575). Als verweer erop neerkomt dat vervolging van een verdachte en zijn medeverdachte in strijd met art. 6.2 Sv plaatsvindt omdat zaak tegen één of meer van hen bij niet-bevoegde Rb is aangebracht, moet dit verweer worden gevoerd bij Rb en kan dat verweer niet eerst in h.b. met succes worden gevoerd. Klacht over verwerping door hof van verweer over ontvankelijkheid OM in vervolging stuit hierop af. Ad 2. Middel berust op opvatting dat een vervolging is ‘aangevangen’ a.b.i. art. 6.2, tweede volzin, Sv zodra OM strafrechter in betreffende zaak heeft betrokken, ook als dit heeft bestaan uit richten van een vordering tot RC tot verrichten van onderzoekshandelingen a.b.i. art. 181 Sv. Met art. 6.2 Sv wordt bewerkstelligd dat zaken tegen medeverdachten door dezelfde rechter worden behandeld (vgl. HR:1999:ZD1575). Daarom is in situatie a.b.i. tweede volzin van art. 6.2 Sv uitsluitend de rechter bevoegd bij wie de vervolging tegen één van de mededaders het eerst is aangevangen. Onder mededader tegen wie vervolging het eerst is aangevangen, moet in context van art. 6.2 Sv worden verstaan mededader tegen wie het eerst een dagvaarding is uitgebracht om ttz. in e.a. te verschijnen. Opvatting waarop middel berust, is onjuist. Volgt verwerping. Samenhang met 22/04536.
De uitspraak op rechtspraak.nl