HR 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:604

Beklag ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv na beslag ex art. 94 Sv op modeltreinen onder klager n.a.v. Europees onderzoeksbevel van Duitse autoriteiten. Beroep op het door art. 1 Eerste Protocol EVRM en art. 17 Handvest van grondrechten van EU gewaarborgde recht op (ongestoord genot van) eigendom en weigeringsgrond van art. 5.4.4.1.f Sv. Oordeel Rb dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat uitvoering van EOB niet verenigbaar zou zijn met verplichtingen die overeenkomstig art. 6 Verdrag betreffende EU en Handvest op Nederland als uitvoerende staat rusten, meer specifiek met eigendomsrecht van klager. O.g.v. art. 5.4.4.1.f Sv kan erkenning of uitvoering van EOB worden geweigerd als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat uitvoering van bevel niet verenigbaar zou zijn met verplichtingen die overeenkomstig art. 6 VEU en Handvest op Nederland als uitvoerende staat rusten. Het gaat daarbij o.m. om verplichtingen om het (door art. 1 Eerste Protocol EVRM en art. 17.1 Handvest gewaarborgde) recht op (ongestoord genot van) eigendom te beschermen. Beslissing van uitvoerende staat tot erkenning en tul van EOB en daarop volgende inbeslagneming en overdracht van bewijsmateriaal leiden op zichzelf niet tot verlies van eigendom van betreffend voorwerp. Deze inbeslagneming en overdracht beperken wel ongestoord genot van eigendom, i.h.b. mogelijkheid om van betreffend voorwerp gebruik te maken. Beperking van ongestoord genot van eigendom a.g.v. inbeslagneming en overdracht o.g.v. EOB is ‘lawful’, nu deze inbeslagneming en overdracht (en daarvoor geldende voorwaarden) zijn geregeld in Richtlijn 2014/41/EU en Titel 4 Boek 5 WvSv. Daarbij dienen inbeslagneming en daaropvolgende overdracht van bewijsmateriaal ‘legitimate aim in the public interest’, namelijk voorkomen, opsporen en vervolgen van strafbare feiten en bescherming van rechten van anderen. Bij beoordeling of ‘fair balance’ is getroffen tussen algemeen belang enerzijds en bescherming van individueel recht op ongestoord genot van eigendom anderzijds, is volgende van belang. Bij behandeling van klaagschrift dat is ingediend o.g.v. art. 5.4.10.1 jo. 552a Sv, doet rechter geen onderzoek naar gronden voor uitvaardigen van EOB en beoordeelt rechter niet proportionaliteit van inbeslagneming en van daarop volgende overdracht van voorwerpen die bewijsmateriaal vormen waarop EOB betrekking heeft (vgl. art. 5.4.7.1 Sv en HR:2021:1940). Materiële gronden voor uitvaardigen van EOB (waaronder rechtmatigheid en proportionaliteit van inbeslagneming in licht van beperking van ongestoord genot van eigendom a.g.v. inbeslagneming) kunnen daarentegen wel in uitvaardigende staat worden aangevochten (vgl. art. 14.2 Richtlijn 2014/41/EU). Verder is van belang dat systeem van EOB is gestoeld op beginsel van wederzijdse erkenning en daarmee verbonden beginsel van onderling vertrouwen tussen lidstaten van EU. Dit beginsel vereist, met name wat ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid betreft, dat elk van lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer i.h.b., door dat recht erkende grondrechten in acht nemen (vgl. ECLI:EU:C:2014:2454). Bij behandeling en beoordeling van klaagschrift dat is ingediend o.g.v. art. 5.4.10.1 jo. 552a Sv heeft daarom als uitgangspunt te gelden dat uitvaardigende staat grondrechten (waaronder recht op (ongestoord genot van) eigendom) naleeft. Voorgaande brengt met zich dat omstandigheid dat a.g.v. inbeslagneming en overdracht van bewijsmateriaal o.g.v. EOB ongestoord genot van eigendom van betreffend voorwerp wordt beperkt, geen aanleiding geeft voor oordeel dat geen ‘fair balance’ is getroffen tussen algemeen belang enerzijds en bescherming van individueel recht op ongestoord genot van eigendom anderzijds. Die omstandigheid levert daarom geen gegronde reden op om aan te nemen dat uitvoering van bevel niet verenigbaar zou zijn met verplichtingen die overeenkomstig art. 6 VEU en Handvest op Nederland als uitvoerende staat rusten, a.b.i. art. 5.4.4.1.f Sv. Ook enkele mogelijkheid dat na overdracht van bewijsmateriaal in procedure in uitvaardigende staat beslissingen worden genomen over vraag aan wie eigendomsrecht op betreffend voorwerp toekomt of beslissingen worden genomen die tot verlies van eigendomsrecht zouden kunnen leiden, levert niet zo’n gegronde reden op. Uitgangspunt dat uitvaardigende staat geacht moet worden grondrechten (waaronder recht op (ongestoord genot van) eigendom) na te leven, lijdt alleen uitzondering in geval dat door of namens klager voldoende onderbouwd is aangevoerd dat bescherming van het door art. 1 Eerste Protocol EVRM en art. 17 Handvest gewaarborgde recht op (ongestoord genot van) eigendom evident tekortschiet (vgl. EHRM nr. 17502/07 (Avotinš/Letland)). Komt rechter vervolgens tot oordeel dat bescherming van het door art. 1 Eerste Protocol EVRM en art. 17 Handvest gewaarborgde recht op (ongestoord genot van) eigendom in uitvaardigende staat evident zou tekortschieten als uitvoering wordt gegeven aan EOB, dan doet zich situatie voor dat er gegronde reden is om aan te nemen dat uitvoering van EOB niet verenigbaar is met verplichtingen die overeenkomstig art. 6 VEU en Handvest op Nederland als uitvoerende staat rusten. Bij beoordeling of zich zo’n situatie voordoet, kan rechter onder omstandigheden betrekken of OvJ voornemens is o.g.v. art. 5.4.9.2 Sv te bedingen dat over te dragen bewijsmateriaal zal worden teruggezonden zodra daarvan voor strafvordering nodig gebruik is gemaakt, dan wel OvJ zo’n beding heeft gehanteerd als bewijsmateriaal o.g.v. art. 5.4.9.3 Sv voorlopig ter beschikking is gesteld. Dat OvJ niet dat voornemen heeft, dan wel niet zo’n beding heeft gehanteerd, brengt echter nog niet met zich dat van gegronde reden zoals hiervoor genoemd, sprake is. Van belang is verder dat rechter die oordeelt over klaagschrift dat is ingediend o.g.v. art. 5.4.10.1 jo. 552a Sv, niet zelf bevoegdheid heeft om aan erkenning of uitvoering van EOB de voorwaarde te verbinden dat over te dragen bewijsmateriaal zal worden teruggezonden zodra daarvan voor strafvordering nodig gebruik is gemaakt. Uit vorenstaande volgt dat er als uitgangspunt van kan worden uitgegaan dat uitvaardigende staat recht op (ongestoord genot van) eigendom naleeft en dat alleen in uitzonderlijke gevallen beperkingen op dat recht die voortvloeien uit inbeslagneming o.g.v. EOB, grond vormen voor het door Nederland als uitvoerende staat weigeren van erkenning of uitvoering van EOB overeenkomstig art. 5.4.4.1 Sv. Bij behandeling en beoordeling van klaagschrift dat is ingediend o.g.v. art. 5.4.10.1 jo. 552a Sv zal daarom doorgaans moeten worden aangenomen dat met mogelijkheid om tegen inbeslagneming (ook) rechtsmiddel aan te wenden in uitvaardigende staat, voldoende waarborg bestaat dat recht op (ongestoord genot van) eigendom wordt gerespecteerd. Rb heeft geoordeeld dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat uitvoering van EOB niet verenigbaar zou zijn met verplichtingen die overeenkomstig art. 6 VEU en Handvest op Nederland als uitvoerende staat rusten, meer specifiek met gesteld eigendomsrecht van klager. Daarbij heeft Rb betrokken dat onderzoek naar diefstal van modellocomotieven en -wagons nog loopt en nog geen duidelijkheid bestaat wat betreft eigendomsrecht op inbeslaggenomen voorwerpen. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is, mede in het licht van wat namens klager is aangevoerd, niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken