HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:565
Beklag ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv na beslag ex art. 94 Sv op diverse goederen onder klager n.a.v. Europees onderzoeksbevel van Duitse autoriteiten. Klager (niet verschoningsgerechtigde) voert aan dat advocaat (Duitse advocaat van klager) beroep op verschoningsrecht toekomt m.b.t. inbeslaggenomen goederen. Rb heeft behandeling van klaagschrift ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv aangehouden in afwachting van uitkomst van procedure ex art. 98 Sv. Na beschikking RC ex art. 98 Sv heeft Rb behandeling van klaagschrift voortgezet en klaagschrift ongegrond verklaard. Heeft Rb bij beslissing op klaagschrift terecht tot uitgangspunt genomen dat geen beroep is ingesteld tegen beschikking RC ex art. 98 Sv? Als i.h.k.v. uitvoering van EOB stukken in beslag zijn genomen en/of gegevens zijn vastgelegd, en degene onder wie stukken in beslag zijn genomen of bij wie gegevens zijn vastgelegd, die niet verschoningsgerechtigde is, aanvoert dat geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen ten aanzien van inbeslaggenomen stukken of vastgelegde gegevens, dan is het eerst aan RC om te beslissen over beroep op verschoningsrecht dat is gedaan. Dat brengt met zich dat, als Rb bij behandeling van o.g.v. art. 5.4.10 jo. 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat t.a.v. inbeslaggenomen stukken of vastgelegde gegevens beroep op verschoningrecht is gedaan en dat RC daarover (nog) niet heeft beslist, zij behandeling van klaagschrift moet aanhouden en zaak in handen van RC moet stellen om beschikking te geven a.b.i. art. 98.1 Sv (vgl. HR:2022:223). HR herhaalt vervolgens relevante overwegingen uit HR:2022:223, HR:2020:1048 en HR:2015:3076 m.b.t. procedure van art. 98 Sv en gevallen waarin in meerdere beklagprocedures het verschoningsrecht aan de orde is. Als Rb bij behandeling van o.g.v. art. 5.4.10 jo. 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat beschikking RC nog niet overeenkomstig art. 98.3 Sv is betekend aan betrokken verschoningsgerechtigde dan wel termijn van 14 dagen voor indienen van klaagschrift ex art. 98.4 Sv nog niet is verstreken, moet zij behandeling van klaagschrift aanhouden. Rb heeft bij haar beslissing op klaagschrift dat door klager, die niet verschoningsgerechtigde is, o.g.v. art. 5.4.10 jo. 552a Sv is ingediend, beslissing van RC a.b.i. art. 98.3 Sv tot uitgangspunt genomen, omdat Rb ervan uitging dat beslissing RC onherroepelijk was geworden omdat tegen die beslissing geen klaagschrift is ingediend door verschoningsgerechtigde. In HR:2024:562 (zaak van betrokken verschoningsgerechtigde) heeft HR overwogen dat het in cassatie ervoor moet worden gehouden dat beschikking RC a.b.i. art. 98 Sv niet is betekend aan betrokken verschoningsgerechtigde. Rb had behandeling van klaagschrift van klager moeten aanhouden totdat beschikking RC is betekend aan verschoningsgerechtigde en termijn voor indienen van klaagschrift is verstreken. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/03721 Br.
De uitspraak op rechtspraak.nl