HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:562
Beklag ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv door advocaat na beslag ex art. 94 Sv op diverse goederen onder belanghebbende n.a.v. Europees onderzoeksbevel van Duitse autoriteiten. Rb heeft behandeling van klaagschrift ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv aangehouden in afwachting van uitkomst van procedure ex art. 98 Sv. Na beschikking RC ex art. 98 Sv heeft Rb behandeling van klaagschrift voortgezet en klaagschrift ongegrond verklaard. Heeft Rb bij beslissing op klaagschrift terecht tot uitgangspunt genomen dat geen beroep is ingesteld tegen beschikking RC ex art. 98 Sv? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1970 m.b.t. beklagmogelijkheid voor verschoningsgerechtigde als i.h.k.v. uitvoering van EOB stukken in beslag zijn genomen en/of gegevens zijn vastgelegd en de daarbij geldende uitgangspunten en regels. Verder herhaalt HR relevante overwegingen uit HR:2022:223 en HR:2020:1048 m.b.t. procedure van art. 98 Sv. Als Rb bij behandeling van o.g.v. art. 5.4.10 jo. 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat beschikking RC nog niet overeenkomstig art. 98.3 Sv is betekend aan betrokken verschoningsgerechtigde dan wel termijn van 14 dagen voor indienen van klaagschrift ex art. 98.4 Sv nog niet is verstreken, dan moet zij behandeling van klaagschrift aanhouden. Als verschoningsgerechtigde o.g.v. art. 98.4 Sv klaagschrift indient tegen beschikking RC en daarnaast klaagschrift o.g.v. art. 5.4.10 jo. 552a Sv indient, doet zich geval voor dat gelijktijdig 2 klaagschriften van verschoningsgerechtigde aanhangig zijn bij Rb die er allebei toe strekken dat Rb beoordeelt of stukken en/of gegevens waarvan inbeslagneming dan wel vastlegging door RC is toegestaan, onder verschoningsrecht van verschoningsgerechtigde vallen. Het verdient aanbeveling dat rechter bevordert dat deze klaagschriften gevoegd worden behandeld en dat hij vervolgens in 1 beschikking beslissing geeft op beroep dat verschoningsgerechtigde doet op zijn verschoningsrecht (vgl. HR:2024:315). Rb heeft bij beslissing op klaagschrift dat door klager, een verschoningsgerechtigde, o.g.v. art. 5.4.10 jo. 552a Sv is ingediend, beslissing RC a.b.i. art. 98.3 Sv tot uitgangspunt genomen, omdat Rb ervan uitging dat beslissing RC onherroepelijk was geworden omdat tegen die beslissing geen klaagschrift is ingediend door klager. Uit stukken blijkt niet dat beschikking RC a.b.i. art. 98 Sv is betekend aan klager, zodat het in cassatie ervoor moet worden gehouden dat dit niet is gebeurd. Rb had behandeling van klaagschrift moeten aanhouden totdat beschikking RC is betekend aan klager en termijn voor indienen van klaagschrift is verstreken. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/03720 Br.
De uitspraak op rechtspraak.nl