HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:982
Als natuurgenezeres natuurgeneesmiddel iboga(ïne) toedienen en verstrekken aan cliënten (verslaafden) ten gevolge waarvan 1 van hen is overleden, art. 287 Sr, art. 174 Sr, art. 255 en 257 Sr en art. 96 Wet BIG. 1. Specialiteitsbeginsel bij overlevering. Ontvankelijkheid OM in strafvervolging t.a.v. feiten 4, 5 en 6 (art. 174 Sr en 96 Wet BIG) en strafoplegging (gevangenisstraf van 8 jaren). OM niet-ontvankelijk, nu door OvJ uitgevaardigd EAB op grond waarvan verdachte in Duitsland is aangehouden en overgeleverd aan Nederland onrechtmatig is, omdat EAB niet door onafhankelijke rechterlijke autoriteit is afgegeven? 2. Bewijsklacht doodslag. Heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op dood van slachtoffer? Ad 1. O.g.v. art. 48 Overleveringswet jo. 27.2 Kaderbesluit kan een aan Nederland overgeleverd persoon niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens een of meer andere vóór overlevering begane feiten dan feiten die reden tot overlevering zijn geweest, tenzij een van de in art. 27.1 en 27.3 Kaderbesluit bedoelde gevallen zich voordoet. Voor vervolging voor en berechting van deze andere feiten kan toestemming worden gevraagd aan uitvoerende rechterlijke autoriteit die gezochte persoon heeft overgeleverd. Als uitvoerende rechterlijke autoriteit ex art. 27.4 Kaderbesluit die toestemming verleent, is OM ontvankelijk in vervolging voor deze andere feiten. Regeling van art. 48 Overleveringswet jo. 27.2 Kaderbesluit verzet zich echter niet z.m. ertegen dat vervolging voor deze andere feiten aanvangt ook al heeft OM (nog) geen toestemming van uitvoerende lidstaat verkregen. Gelet op art. 27.3.c Kaderbesluit is vervolging voor en berechting van andere vóór overlevering begane feiten dan feiten die reden tot overlevering zijn geweest, onder meer toegelaten als strafvervolging voor deze andere feiten niet leidt tot toepassing van maatregel die persoonlijke vrijheid van verdachte beperkt. Dit houdt, zo volgt uit uitspraak HvJ (EU:C:2008:669), in dat overgeleverde persoon niet al tijdens en vanwege vervolging voor die andere feiten in zijn persoonlijke vrijheid mag worden beperkt a.g.v. vrijheidsbeperkend of vrijheidsbenemend dwangmiddel, zoals voorlopige hechtenis. Dat jegens overgeleverde persoon gedurende zijn strafvervolging vrijheidsbeperkende of vrijheidsbenemende dwangmiddelen worden toegepast, is niet in strijd met art. 27.3.c Kaderbesluit indien en v.zv. tlgd. feiten die wél zijn vermeld in EAB, toepassing daarvan rechtvaardigen. Uit art. 27.3.c Kaderbesluit en uitspraak HvJ volgt verder dat overgeleverde persoon niet a.g.v. veroordeling voor andere vóór overlevering begane feiten dan feiten die reden tot overlevering zijn geweest, vrijheidsbeperkende of vrijheidsbenemende straf of maatregel mag ondergaan. Unierecht verzet zich er daarbij niet tegen dat overgeleverde persoon voor die andere vóór overlevering begane feiten in uitvaardigende lidstaat wordt veroordeeld tot vrijheidsbeperkende of vrijheidsbenemende straf of maatregel, mits die opgelegde straf of maatregel dan eerst wordt tenuitvoergelegd nadat uitvoerende rechterlijke autoriteit toestemming a.b.i. art. 27.4 Kaderbesluit heeft verleend. Lidstaten zijn echter niet verplicht in nationaal recht deze laatste mogelijkheid open te stellen. Nederlandse wet voorziet niet in mogelijkheid dat rechter een vrijheidsbeperkende of vrijheidsbenemende straf of maatregel oplegt onder opschortende voorwaarde dat uitvoerende rechterlijke autoriteit toestemming verleent a.b.i. art. 27.4 Kaderbesluit. Dat dergelijke mogelijkheid onder omstandigheden verenigbaar is met rechtspraak HvJ, leidt niet tot andere uitleg van wet. Aanvaarden van mogelijkheid dat rechter een vrijheidsbeperkende of vrijheidsbenemende straf of maatregel oplegt onder genoemde opschortende voorwaarde, leidt bovendien tot in CAG geschetste vraag- en knelpunten in relatie tot tul van die straf of maatregel. HR merkt nog op dat rechter onderzoek ttz. voor bepaalde of onbepaalde tijd kan aanhouden om OM de gelegenheid te bieden verzoek tot toestemming bij uitvoerende rechterlijke autoriteit te doen indienen. Daarnaast kan, wanneer rechter het OM n-o heeft verklaard in vervolging omdat toestemming van uitvoerende rechterlijke autoriteit ontbreekt voor vervolging en berechting van andere vóór overlevering begane feiten dan feiten die reden tot overlevering zijn geweest, verdachte daarna opnieuw worden vervolgd voor genoemde andere feiten als OM toestemming heeft verkregen. Hof heeft vastgesteld dat geen toestemming van uitvoerende rechterlijke autoriteit is verkregen voor vervolging en berechting van feiten 4, 5 en 6 (t.a.v. anderen dan overleden slachtoffer A). Hof heeft kennelijk geoordeeld dat, gelet op regeling van art. 27.3.c Kaderbesluit, specialiteitsbeginsel niet in de weg staat aan deze vervolging en berechting omdat geen voorlopige hechtenis is toegepast voor feiten 4, 5 en 6 (t.a.v. anderen dan A) en voor die feiten niet vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt tenuitvoergelegd zolang geen aanvullende toestemming is verleend door Duitse autoriteiten. Dat oordeel getuigt op zichzelf niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Hof heeft echter vervolgens ex art. 57 Sr aan verdachte weliswaar 1 hoofdstraf opgelegd, namelijk gevangenisstraf van 8 jaren, maar uit strafmotivering blijkt dat hof daarmee heeft beoogd voor feiten 1, 2 en 3 gevangenisstraf van 7 jaren op te leggen en voor feiten 4, 5 en 6 gevangenisstraf van 1 jaar onder opschortende voorwaarde van verkrijgen van aanvullende toestemming van Duitse autoriteiten. Gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, is dat laatste niet mogelijk zodat deze (beoogde) strafoplegging in strijd is met wet. Hof heeft verder geoordeeld dat het niet aan rechter in strafzaak waarin verdachte wordt vervolgd voor feiten die reden tot overlevering van verdachte zijn geweest, is om te beoordelen of EAB door daartoe bevoegde autoriteit is uitgevaardigd, omdat die beoordeling plaatsvindt in overleveringsprocedure in uitvoerende lidstaat. Dit oordeel is juist. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen HR:2003:AE9049 en HR:2018:718. m.b.t. voorwaardelijk opzet. Aan zijn vaststellingen in bewijsvoering heeft hof niet onbegrijpelijk gevolgtrekking verbonden dat reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat iboga(ïne)behandeling tot gevolg zou hebben dat A zou overlijden, welk risico zich heeft verwezenlijkt. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Hof heeft verder geoordeeld dat verdachte bewust deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Dat oordeel berust kennelijk in de kern erop dat verdachte wetenschap had van het aan de door haar verrichte iboga(ïne)behandelingen verbonden reële risico op complicaties m.b.t. werking van hart, zoals ook was gebleken bij 2 concrete incidenten, en van reëel risico dat die complicaties dood tot gevolg hebben, en dat zij ondanks die wetenschap is doorgegaan met behandelingen. Verdachte heeft bij deze voortzetting van behandelingen haar werkwijze niet aangepast en zij heeft niet aanvullende veiligheidsvoorschriften, zoals die waren opgenomen in de haar bekende rapporten, in acht genomen, terwijl door haar als niet-medisch geschoolde behandelaar toegepaste maatregelen waarop in het namens haar gevoerde verweer een beroep is gedaan geenszins toereikend waren om genoemde risico’s af te wenden. ‘s Hofs op deze vaststellingen gebaseerd oordeel dat verdachte bewust aanmerkelijke kans op dood van A heeft aanvaard, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. HR doet zaak zelf af door OM n-o te verklaren in vervolging van feiten 4, 5 en 6 (t.a.v. anderen dan A) en duur van opgelegde gevangenisstraf te verminderen. CAG (strekking): partiële vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl