HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:119
Doodslag (art. 287 Sr), meermalen gepleegd, door man en vrouw 9 resp. 17 messteken toe te brengen. 1. Strafoplegging (gevangenisstraf van 15 jaren en 3 maanden) na inwerkingtreding nieuwe regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling. Heeft hof in strijd met art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR straf opgelegd die door wijziging van VI-regeling ertoe leidt dat verdachte feitelijk langer van zijn vrijheid wordt beroofd dan voorzienbaar was t.t.v. begaan van bewezenverklaarde feiten? 2. Onttrekking aan het verkeer van ‘jammer’, art. 36d Sr. Is sprake van soortgelijke feiten a.b.i. art. 36d Sr? Ad 1. HR maakt opmerkingen over wijziging van VI-regeling na i.w.tr. Wet straffen en beschermen op 01-07-2021. Tot gedeeltelijke i.w.tr. van Wet S&B vond bij gevangenisstraf van meer dan 2 jaren VI plaats als veroordeelde 2/3 gedeelte van gevangenisstraf had ondergaan. Die VI kon ex art. 15d.1 t/m 15.d.4 en 15d.7 Sr worden uitgesteld of achterwege blijven. Sinds (gedeeltelijke) i.w.tr. van Wet S&B kan, bij gevangenisstraf van meer dan 2 jaren, VI worden verleend nadat veroordeelde 2/3 gedeelte van gevangenisstraf heeft ondergaan, met dien verstande dat periode van VI niet langer kan zijn dan 2 jaren. OM kan beslissen die VI niet te verlenen. Dit betekent dat zowel voor als na gedeeltelijke i.w.tr. van Wet S&B de mogelijkheid bestond en bestaat dat veroordeelde de door rechter opgelegde gevangenisstraf voor volledige duur daarvan moet ondergaan. Overgangsbepaling van art. IV.3 Wet S&B strekt ertoe dat uitsluitend wettelijke regeling van VI wordt toegepast die van toepassing is op het moment dat rechter een vrijheidsstraf oplegt. Daardoor is rechter ermee bekend, op het moment dat hij vrijheidsstraf oplegt, welke regeling over VI bij tul van die straf zal gelden. Mede tegen achtergrond van recente rechtspraak van EHRM (Kupinskyy/Oekraïne) over vraag onder welke omstandigheden ‘a heavier penalty is imposed’ (zwaardere straf is opgelegd) a.b.i. art. 7.1 (2e volzin) EVRM, kan volgens HR niet worden gezegd dat toepassing van art. 6:2:10.1 Sv op gevallen waarin na 01-07-2021 veroordeling is uitgesproken wegens strafbaar feit begaan voor 01-07-2021, in strijd is met art. 7 EVRM of art. 15 IVBPR. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:1902 m.b.t. uitgangspunt dat VI betrekking heeft op executie van opgelegde straf. Hof heeft geoordeeld dat, gelet op strafbepalingen zoals deze golden t.t.v. bewezenverklaarde feiten en feiten waarvoor verdachte eerder was veroordeeld en die door hof o.g.v. art. 63 Sr in beoordeling zijn betrokken, gevangenisstraf van ten hoogste 20 jaren kan worden opgelegd. I.v.m. toepasselijkheid van art. 63 Sr en wegens overschrijding van redelijke termijn heeft hof voor bewezenverklaarde feiten uiteindelijk gevangenisstraf van 15 jaren en 3 maanden opgelegd. Hof heeft verder als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat bij tul de regeling van VI van toepassing is zoals deze geldt na gedeeltelijke invoering van Wet S&B en dat invoering van die wet er niet toe heeft geleid dat ten uitvoer te leggen gevangenisstraf voor bewezenverklaarde feiten meer dan 15 jaren en 3 maanden zou kunnen belopen in geval van niet verlenen of herroepen van VI. Deze oordelen getuigen, ook in het licht van hiervoor genoemde verdragsbepalingen, niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. Ad 2. Onder ‘soortgelijke feiten’ a.b.i. art. 36d Sr moeten worden verstaan feiten die tot dezelfde categorie behoren als door verdachte begane feiten dan wel feiten waarvan hij wordt verdacht (vgl. HR:1997:ZC9322). Gelet op bewezenverklaring heeft hof doodslag (meermalen gepleegd) aangemerkt als door verdachte begane feiten a.b.i. art. 36d Sr. Zonder nadere motivering valt echter niet in te zien hoe inbeslaggenomen ‘jammer’ kan dienen om soortgelijke feiten als deze te begaan of voor te bereiden dan wel opsporing van dergelijke feiten te belemmeren. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. onttrekking aan het verkeer van ‘jammer’ (zonder terugwijzing).
De uitspraak op rechtspraak.nl