HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1116

Ontucht met aan zijn zorg toevertrouwde 5-jarige dochter van zijn toenmalige vriendin, art. 249.1 Sr. 1. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vindt verklaring van slachtoffer voldoende steun in ander bewijsmateriaal? 2. Schriftuur benadeelde partij, immateriële schade. Kon hof vordering b.p. tot vergoeding van immateriële schade gedeeltelijk afwijzen? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BM2452 m.b.t. bewijsminimum van art. 342.2 Sv. Hof heeft gemotiveerd uiteengezet waarom verklaringen van slachtoffer voldoende steun vinden in verklaringen van aangeefster (moeder van slachtoffer) en in manier waarop slachtoffer aan haar moeder en tante heeft verteld over tlgd. handelingen. Hof heeft daarbij i.h.b. acht geslagen op verklaringen van slachtoffer v.zv. deze inhouden dat verdachte olie op zijn geslachtsdeel deed en “zijn piemel tussen mijn billen” deed. Hof heeft overwogen dat deze “specifieke handelwijze” steun vindt in verklaring van aangeefster, die uit zichzelf en n.a.v. open vraag van politie heeft verklaard dat verdachte (haar ex-vriend) het fijn vond om olie op zijn geslachtsdeel te doen en dan zijn geslachtsdeel tussen billen of tegen vagina van aangeefster te doen. Hof heeft verder in zijn overwegingen betrokken de door zwager van aangeefster waargenomen manier (door te fluisteren) waarop slachtoffer in auto vertelde dat ze “een geheimpje” moest vertellen en vervolgens zei: “[Verdachte] heeft met zijn voorbillen mijn billen gemasseerd”. Daarover heeft hof vastgesteld dat deze waarneming past bij verklaring van slachtoffer v.zv. die inhoudt dat zij het eigenlijk niet mocht doorvertellen van verdachte, omdat hij anders heel erg boos zou worden. Ook heeft hof acht geslagen op waarneming door aangeefster (paar dagen na dat gesprek in auto) van reactie van slachtoffer die bestond in verstijving en bij elkaar houden van benen toen aangeefster crème bij slachtoffer wilde opdoen omdat ze last had van rode/schrale schaamlippen. I.v.m. dit laatste heeft hof vastgesteld dat, toen aangeefster zei dat slachtoffer zelf crème mocht opdoen, slachtoffer dat deed en vertelde dat verdachte “olie op zijn voorbillen deed en dan ook zijn voorbillen op haar voorbillen deed”. Aldus is voldaan aan bewijsminimum van art. 342.2 Sv, mede in aanmerking genomen dat verklaringen van aangeefster o.m. betrekking hebben op specifieke handelwijze van verdachte bij seksuele handelingen en daarmee steun geven aan verklaring van slachtoffer. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 m.b.t. beoordeling van vordering van b.p. door rechter. Hof heeft vordering van b.p. tot vergoeding van immateriële schade van € 15.000 toegewezen tot bedrag van € 5.000 en vordering voor overige afgewezen. Die afwijzing is in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld en van wat b.p. heeft aangevoerd, niet toereikend gemotiveerd. Uit overwegingen van hof kan immers niet volgen dat ongegrondheid van vordering van b.p. (waarvan uit onderbouwing blijkt dat zij mede afhankelijk kan zijn van toekomstige ontwikkelingen) tot bedrag van € 10.000 in voldoende mate is komen vast te staan. HR zal zaak zelf afdoen en b.p. t.a.v. afgewezen deel van vordering tot vergoeding van immateriële schade n-o verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken