HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:91
OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van zorgverleners in psychiatrisch ziekenhuis, art. 285.1 Sr. Kon bij aangeefsters in redelijkheid vrees ontstaan dat misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2005:AT3659 m.b.t. vereisten voor veroordeling t.z.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling. Hof heeft geoordeeld dat verbale bedreiging bij betrokkenen niet zonder meer in redelijkheid de in dit arrest bedoelde vrees kon doen ontstaan. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, ook niet onbegrijpelijk. Daarbij kon hof acht slaan op concrete omstandigheden dat verdachte in psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen en bedreigende taal “in haar emotionele geestelijke toestand” respectievelijk “in haar ontregelde geestelijke toestand” heeft geuit. V.zv. middel ervan uitgaat dat hof daarmee zou hebben geoordeeld dat in psychiatrische omgeving en context slechts in bijzondere gevallen sprake kan zijn van bedreiging a.b.i. art. 285 Sr, berust het op onjuiste lezing van ‘s hofs overwegingen. Volgt verwerping. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl