HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659
Voor een veroordeling t.z.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Als het hof heeft geoordeeld dat de bewezenverklaarde uitlatingen van verdachte (“Bedankt voor die 8 jaar en als ik vrij kom, dan ga ik jou als eerste pakken”) op zichzelf van dien aard zijn dat zij bij het slachtoffer een dergelijke vrees konden doen ontstaan, is dat oordeel, gelet op de bewoordingen waarin die uitlatingen zijn gedaan, niet zonder meer begrijpelijk. Als het hof die uitlatingen niet op zichzelf heeft beschouwd, maar heeft geoordeeld dat de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan, meebrengen dat van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven sprake is, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu de gebezigde bewijsmiddelen omtrent zodanige omstandigheden onvoldoende inhouden.
De uitspraak op rechtspraak.nl