HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1743

Niet voldoen aan aanwijzing ambtenaar Koninklijke marechaussee om te gaan zitten op stoel i.h.k.v. protest in vliegtuig tegen gedwongen uitzetting vreemdeling (overtreding voorschrift vastgesteld krachtens art. 46.2.b Vw 2000). 1. Was KMar bevoegd om verdachte aanwijzing te geven plaats te nemen op haar stoel? 2. Was inbreuk op art. 10/11 EVRM noodzakelijk in democratische samenleving? Ad 1. O.g.v. art. 46.2.b Vw 2000 kunnen bij AMVB regels worden gesteld over verplichtingen waaraan personen zijn onderworpen met oog op controle in belang van grensbewaking. Tot die regels behoort voorschrift van art. 4.6 Vb 2000. O.g.v. die bepaling kunnen ambtenaren belast met grensbewaking i.h.k.v. hun taak aanwijzingen geven. Mede gelet op ontstaansgeschiedenis omvat bevoegdheid van art. 4.6 Vb 2000 niet alleen geven van aanwijzingen aan grenspassanten, maar ook aan personen die zich op een voor uitoefening van grensbewaking hinderlijke wijze op of nabij grensdoorlaatpost ophouden. Hof heeft geoordeeld dat KMar, belast met grensbewaking op Schiphol, bevoegd was om verdachte aanwijzing te geven plaats te nemen op haar stoel. Hiermee samenhangende oordeel dat erop neerkomt dat art. 46.2.b Vw 2000 mede betrekking heeft op regels voor beheersbaar maken en houden van situatie t.b.v. grensbewaking, en dat op die bepaling gebaseerde art. 4.6 Vb 2000 bevoegdheid omvat om zo’n aanwijzing te geven vanwege het zich op voor uitoefening van grensbewaking hinderlijke wijze ophouden op of nabij grensdoorlaatpost, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. HR wijdt algemene beschouwingen aan reikwijdte van het in art. 10 en 11 EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering en aan beantwoording van vraag onder welke omstandigheden beperking van recht op vrijheid van vreedzame vergadering in democratische samenleving noodzakelijk is. Hof heeft verweer dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en 11 EVRM verworpen. Oordeel hof komt erop neer dat (i) aanleiding voor strafrechtelijke optreden tegen verdachte uitsluitend was gelegen in tijdens protestactie niet opvolgen van aanwijzingen KMar, terwijl opvolgen aanwijzingen verdachte niet had belemmerd in uiten van mening en voortzetten protest, (ii) negeren van aanwijzingen moet worden gezien als “reprehensible act” (laakbaar gedrag) waartegen strafrechtelijk optreden geboden was, zodat daaruit voortvloeiende beperking in uitoefening van rechten neergelegd in art. 10/11 EVRM gerechtvaardigd en noodzakelijk was en (iii) bestraffing daarvan met geheel voorwaardelijke geldboete proportioneel is en niet zo ingrijpend dat daarvan “chilling effect” uitgaat op personen die door deelname aan protestactie gebruik willen maken van recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering. Dit oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met 21/03374.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken