HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1647
Medeplegen van in uitoefening van beroep of bedrijf opzettelijk telen van grote hoeveelheid hennep in meerdere panden (art. 3.B jo. 11.3 en 11.5 Opiumwet), afleveren hennep (art. 3.B Opiumwet), deelname aan criminele organisatie (art. 11b.1 Opiumwet), medeplegen diefstal elektriciteit (art. 311.1.4 Sr), medeplegen gewoontewitwassen van panden, personenauto’s en geld (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr), (medeplegen van) oplichting (art. 326.1 Sr), gebruik maken van vervalst geschrift (art. 225.2 Sr) en voorhanden hebben van jammer (art. 161sexies.1 (oud) Sr). 1. Had hof beslissing moeten nemen over opnieuw oproepen van niet bij Rh-C verschenen getuige, nu verdediging geen nieuw verzoek maar ook geen afstand heeft gedaan? 2. Gebruik van verklaring van niet-verschenen getuige voor bewijs. 3. Oogmerk om misdrijf a.b.i. art. 161sexies.1 (oud) Sr te plegen bij voorhanden hebben jammer. 4. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Kon hof duur van gijzeling op 365 dagen bepalen? Ad 1. Ttz. in hoger beroep gedaan verzoek tot horen van getuige A is verzoek a.b.i. art. 414 Sv. Door zaak voor nader onderzoek naar Rh-C te verwijzen, met opdracht A als getuige te horen, is aan verzoek uitvoering gegeven. Verdediging had, als zij het wenselijk vond dat getuige A alsnog zou worden gehoord, die wens voorafgaand aan nadere tz. aan AG of tijdens inhoudelijke behandeling aan hof kenbaar moeten maken door daartoe strekkend, gemotiveerd verzoek te doen. Dat is niet gedaan. Daarom hoefde hof niet (ook niet ambtshalve) beslissing te nemen over oproepen van getuige A. Daarbij neemt HR in aanmerking dat enkele mededeling dat verdediging “geen afstand” doet van getuige niet als zo’n verzoek kan worden aangemerkt. Veronderstelling dat hof n.a.v. omstandigheid dat ttz. bleek dat getuige A niet was gehoord, had moeten beslissen zoals voorzien in art. 287.3 Sv dan wel art. 288.1 Sv, is onjuist (vgl. HR:2012:BX0863). Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:576 m.b.t. beoordeling ‘overall fairness’ van procedure. Uit procesverloop blijkt dat getuige A in e.a. als getuige is gehoord bij RC in aanwezigheid van raadsman van verdachte en vervolgens op tz. van Rb in aanwezigheid van verdachte en diens raadsman. In cassatie is niet aangevoerd dat deze ondervragingsmogelijkheid niet behoorlijk of effectief was. Daarom doet zich niet het geval voor waarin verdediging niet in enig stadium van geding een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid heeft gehad, zodat het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces zich niet verzet tegen gebruik van verklaringen van deze getuige voor bewijs. Ad 3. Hof heeft vastgesteld dat verdachte gedurende 3 tot 4 jaar een jammer in zijn woning heeft gehad en zich daarvan bewust is geweest, terwijl hij voor gebruik en bezit geen vergunning had. Daarnaast heeft hof overwogen dat het voornaamste gebruik van jammers bestaat uit onbruikbaar maken dan wel verstoren van telecommunicatie en dat verdachte geen alternatief gebruik heeft aangegeven. ‘s Hofs daarop gebaseerde oordeel dat verdachte bewezenverklaard oogmerk had, kennelijk omdat verdachte besefte of moet hebben beseft dat een en ander dergelijk gebruik als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich bracht of zou kunnen brengen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Ad 4. Hof heeft verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 11, 33, 54, 33, 162, 18 en 54 (in totaal 365) dagen gijzeling. O.g.v. art. 36f.5 Sr bepaalt rechter bij oplegging van maatregel de duur volgens welke met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. Duur van gijzeling beloopt (ook in gevallen van samenloop als bedoeld in art. 57 en 58 Sr) ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2022:498). HR vernietigt ’s hofs uitspraak en vermindert zelf duur van gijzeling in die zin dat is voldaan aan wettelijk bepaald maximum van 1 jaar. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van 11, 32, 53, 32, 161, 18 en 53 dagen kan worden toegepast. Samenhang met 20/02942 en 20/03014.
De uitspraak op rechtspraak.nl