HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1469

Verstekverlening in hoger beroep na betekening van dagvaarding of oproeping door toezending per gewone post naar adres van verdachte in buitenland (Polen) op de voet van art. 36e.3 Sv. 1. Stelt het Unierecht, i.h.b. (a) Richtlijn 2012/13/EU (recht op informatie in strafprocedures) en (b) Richtlijn (EU) 2016/343 (recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn), eisen aan de wijze van betekening van de dagvaarding of oproeping in h.b.? 2. Aanwezigheidsrecht. Kon hof verstek verlenen? Ad 1(a). HR gaat onder verwijzing naar jurisprudentie van het EHRM (Sejdovic/Italië en Pélissier en Sassi/Frankrijk) en het HvJ EU (EU:C:2015:686 (Covaci) en ECLI:EU:C:2021:949 (IS)) in op het in art. 6.3.a EVRM en art. 6.3 Richtlijn 2012/13/EU neergelegde recht op informatie in een strafprocedure, in relatie tot de verschillende functies van de dagvaarding in e.a. en h.b. Het in deze bepalingen neergelegde recht op informatie is in het Nederlandse strafproces vooral van belang voor de inhoud van de dagvaarding in e.a. Die bepalingen stellen echter geen specifieke - en dus ook niet van art. 36e.3 Sv en art. 5 EU-Rechtshulpovereenkomst afwijkende - eisen aan de wijze van betekening van de dagvaarding in e.a. en ook niet van de dagvaarding of oproeping in h.b. Het beroep op EU:C:2016:346 (Dworzecki) leidt niet tot een ander oordeel, nu de daarin door het HvJ EU gegeven uitleg aan een tweetal autonome begrippen van het Unierecht niet ziet op de wijze van betekening van dagvaardingen in strafzaken (vgl. HR:2017:976). V.zv. het middel met een beroep op art. 6.3 Richtlijn 2012/13/EU ertoe strekt dat de oproeping in h.b. niet rechtsgeldig is betekend, kan het dus niet slagen. Ad 1(b). HR gaat onder verwijzing naar EU:C:2022:401 (IR) in op art. 8 (recht op aanwezigheid bij proces) en art. 9 (recht op nieuw proces) van Richtlijn (EU) 2016/343. Deze richtlijn beoogt niet te regelen op welke wijze de betekening van de dagvaarding plaatsvindt. Wel volgt uit deze richtlijn dat het onderzoek naar de vraag of verdachte tijdig in kennis is gesteld van de tz. ertoe dient om vast te stellen of verdachte na een verstekbehandeling recht heeft op een nieuw proces a.b.i. art. 9 van die richtlijn. V.zv. het middel berust op de opvatting dat art. 8.2 Richtlijn (EU) 2016/343 specifieke - van art. 36e.3 Sv en art. 5 EU-Rechtshulpovereenkomst afwijkende - eisen stelt aan de betekening van de dagvaarding of oproeping in h.b., faalt het omdat die opvatting onjuist is. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2002:AD5163 over het zich door verdachte bereikbaar houden voor zijn raadsman met het oog op het kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht. Hof heeft zonder schending van het aanwezigheidsrecht kunnen beslissen de zaak buiten aanwezigheid van verdachte te behandelen, mede in aanmerking genomen dat verdachte en zijn raadsvrouw in overeenstemming met de daartoe strekkende wettelijke voorschriften zijn opgeroepen voor de nadere tz., dat verdachte zich kennelijk - hoewel dat in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verlangd - niet bereikbaar heeft gehouden voor zijn raadsvrouw om (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van het namens hem ingestelde h.b. op de hoogte te komen en dat de ttz. verschenen (niet gemachtigde) raadsvrouw, ondanks de mogelijkheid daartoe in h.b., geen aanhoudingsverzoek heeft gedaan met het oog op het kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht door verdachte of het verkrijgen van een machtiging ex art. 279.1 Sv. HR stelt geen prejudiciële vragen aan HvJ EU. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken