HR 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:842
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. witwassen (art. 420bis.1 Sr) en verduistering (art. 321 Sr). Dubbel verstek. 1. Betekening dagvaarding in hoger beroep door toezending per gewone post naar adres van verdachte in België, art. 36e.3 Sv. Had onbestelbaar retour gekomen dagvaarding in h.b. alsnog overeenkomstig art. 5.2 EU-Rechtshulpovereenkomst door bemiddeling van bevoegde autoriteiten van België moeten worden toegezonden naar verdachte? 2. Aanwezigheidsrecht. Had hof onderzoek ttz. in h.b. moeten schorsen? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2002:AD5163 m.b.t. betekening in geval van bekendheid van adres in buitenland. Gelet hierop getuigt kennelijk oordeel van hof dat met rechtstreeks toezenden van dagvaarding naar het door verdachte opgegeven woonadres in België, betekening van dagvaarding rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, niet van onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk. Uit regeling van art. 36e.3 Sv jo. art. 5 EU-Rechtshulpovereenkomst volgt niet dat, in geval dat rechtstreeks toegezonden gerechtelijk stuk als onbestelbaar retour komt, dit stuk alsnog door bemiddeling van bevoegde autoriteiten van andere lidstaat moet worden toegezonden, wil betekening rechtsgeldig zijn. O.g.v. art. 5.2 EU-Rechtshulpovereenkomst kan verzoekende lidstaat in daar genoemde gevallen het gerechtelijke stuk toezenden door bemiddeling van bevoegde autoriteiten van aangezochte lidstaat, maar i.v.m. betekening is verzoekende lidstaat daartoe niet verplicht. Ad 2. Omstandigheid dat gerechtelijk stuk, nadat het rechtstreeks is toegezonden naar woon- of verblijfplaats in buitenland, als onbestelbaar retour is gekomen, kan echter (als verdachte niet aanwezig is en evenmin gemachtigde raadsman) wel van betekenis zijn voor beslissing of verstek wordt verleend. Zowel art. 6.3 EVRM als regeling van art. 8 Richtlijn (EU) 2016/343 beoogt aanwezigheidsrecht van verdachte te waarborgen. Bij beoordeling of wijze van kennisgeving van dagvaarding voldoende waarborgt dat verdachte op hoogte is van proces (en in verband daarmee, of het noodzakelijk is, als verdachte niet aanwezig is en evenmin gemachtigde raadsman, om onderzoek op zitting aan te houden om verdachte opnieuw te doen oproepen) komt betekenis toe aan zowel zorgvuldigheid die overheidsinstanties in acht hebben genomen bij kennisgeving aan verdachte, als aan zorgvuldigheid die verdachte heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen (vgl. HR:2022:1469). Deze door overheid in acht te nemen zorgvuldigheid vergt in geval als dit dat als gerechtelijk stuk, nadat het rechtstreeks is toegezonden naar woon- of verblijfplaats in buitenland onbestelbaar retour is gekomen, wordt geprobeerd om verdachte alsnog op andere manier te bereiken voor uitreiking van gerechtelijk stuk, door overeenkomstig art. 5.2 EU-Rechtshulpovereenkomst bemiddeling van bevoegde autoriteiten van betreffende lidstaat in te roepen. In zo’n geval kan rechter alleen dan uitgaan van vermoeden dat niet-verschenen verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, als dagvaarding alsnog overeenkomstig art. 5.2 EU-Rechtshulpovereenkomst is toegezonden aan verdachte, of als kan worden vastgesteld dat verdachte op andere wijze op de hoogte is gesteld of daadwerkelijk weet heeft van zitting. Dit betekent ook dat, als door overheid niet zorgvuldigheid in acht is genomen zoals hiervoor is omschreven, beslissing om verstek te verlenen niet uitsluitend kan berusten op grond dat verdachte niet zorgvuldigheid heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen, bijvoorbeeld omdat verdachte h.b. heeft ingesteld maar zich daarna niet of onvoldoende bereikbaar heeft gehouden voor zijn raadsman. Uit stukken kan niet blijken dat onbestelbaar retour gekomen dagvaarding in h.b. alsnog overeenkomstig art. 5.2 EU-Rechtshulpovereenkomst is toegezonden aan verdachte, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Ook heeft hof niet vastgesteld dat verdachte op andere wijze op hoogte is gesteld of daadwerkelijk weet had van zitting. Daarom had hof het onderzoek ttz. moeten schorsen en oproeping voor nadere tz. overeenkomstig artikel 5.2 EU-Rechtshulpovereenkomst moeten doen toezenden aan verdachte. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl