HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1423
Vervoeren van cocaïne en heroïne en ‘op de pof’ verkopen, afleveren en verstrekken van cocaïne, art. 2.B Opiumwet. Verbeurdverklaring van geldbedrag van € 790 dat samen met gripzakjes en ponypacks cocaïne en heroïne in onderbroek van verdachte is aangetroffen, art. 33a.1.a en 33a.1.c Sr. Is het geldbedrag geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde verkregen en is het bewezenverklaarde met behulp van dat geldbedrag begaan? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:9, inhoudende dat voor verbeurdverklaring is vereist dat één van de in art. 33a.1 Sr genoemde gronden zich voordoet t.a.v. bewezenverklaard feit. Het bewezenverklaarde heeft betrekking op het vervoeren van 3,6 gram cocaïne en 1,4 gram heroïne en het verkopen, afleveren en verstrekken van 0,1 gram cocaïne aan A. Gelet op de bewezenverklaarde gedragingen en mede in aanmerking genomen dat A de cocaïne ‘op de pof’ (dus zonder op dat moment aan verdachte te betalen) heeft gekocht, is ’s hofs oordeel dat het geldbedrag geheel of grotendeels d.m.v. of uit de baten van het bewezenverklaarde is verkregen en dat het bewezenverklaarde m.b.v. dat geldbedrag is begaan, niet z.m. begrijpelijk. Volgt vernietiging t.a.v. verbeurdverklaring en terugwijzing. CAG (strekking): vernietiging t.a.v. strafoplegging.
De uitspraak op rechtspraak.nl