HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1312

Economische zaak. Onder zich hebben van producten van dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten (blauwe reiger, buizerd en huid van ree), art. 13.1.a. Flora- en Faunawet. Verandering van wetgeving, art. 1.2 Sr. Beroep op vrijstelling van art. 3.18.1 en 3.18.2 Regeling Natuurbescherming. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2011:BP6878 m.b.t. betekenis die aan art. 1.2 Sr moet worden toegekend, inhoudende dat ingeval na begaan van feit delictsomschrijving (in voor verdachte gunstige zin) is gewijzigd, art. 1.2 Sr toepasselijk is indien die wetswijziging voortvloeit uit verandering van inzicht van wetgever omtrent strafwaardigheid van dat feit. T.t.v. bewezenverklaarde golden Flora- en Faunawet en Besluit prepareren van dieren. T.t.v. berechting in hoger beroep waren Wet natuurbescherming en Regeling in werking getreden. Uitgangspunt dat hof toepassing had moeten geven aan art. 3.18 Regeling is niet juist. Dat voorschriften over straffeloos onder zich kunnen hebben van dode vogel ter preparatie op praktische gronden zijn gemoderniseerd, brengt immers niet met zich dat sprake is van gewijzigd inzicht over strafwaardigheid van al voor wijziging begane feiten. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken