Hof 's-Hertogenbosch 20 januari 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:109

Milieuzaak, economische kamer hof 's-Hertogenbosch. Artikel 13 Flora- en faunawet, verbeterd lezen tenlastelegging ten aanzien van het voorhanden hebben van producten van (dode) dieren behorende tot (een) beschermde inheemse diersoort(en). Artikel 9 Flora- en faunawet, vangklaar opstellen van reeënstrikken. Verdediging heeft betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege vrijstellingen in de thans geldende Wet Natuurbescherming en de daarmee samenhangende Regeling Natuurbescherming. Het hof toetst, overeenkomstig artikel 1 , tweede lid, wetboek van Strafrecht, per vrijstelling of het een gunstigere bepaling betreft waarop verdachte zich kan beroepen en of bij honorering van dat beroep dat zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging. Verdachte voldoet niet aan de vrijstelling opgenomen onder artikel 3.18, tweede lid, onder B, van de Regeling Natuurbescherming nu verdachte de dode vogels die hij onder zich had, binnen 3 dagen diende af te leveren bij een preparateur voor preparatie. Verdachte voldoet niet aan de vrijstelling opgenomen onder artikel 3.22 van de Regeling Natuurberscherming nu daarvoor sprake moet zijn dat het dier aantoonbaar buiten toedoen van verdachte dient te zijn gestorven, hetgeen niet aannemelijk is geworden. Verdachte voldoet tevens niet aan de vrijstelling onder artikel 3.22a van de Regeling Natuurbescherming nu verdachte op geen enkel moment het dier heeft aangemeld bij de meldkamer van de politie om een ziek of gewond ree te vervoeren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken