HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1200
Beschikking penitentiaire kamer hof op vordering OvJ ex art. 37a.7 Sr tot verlenen van machtiging voor het gebruik t.b.v. rapport van gegevens die multidisciplinaire commissie elders heeft verkregen over weigerende observandus t.z.v. verdenking van poging tot moord. OM-cassatie. HR geeft toetsingskader voor beoordeling vordering. Voor verlenen van de machtiging is o.g.v. art. 37a.6 Sr in ieder geval vereist dat verdachte wordt verdacht van misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor onaantastbaarheid van het lichaam a.b.i. art. 38e Sr, en dat hof vaststelt dat verdachte weigert medewerking te verlenen aan enig onderzoek a.b.i. art. 37a.4 Sr. Bij dit laatstgenoemde oordeel moet in ieder geval zijn voldaan aan (door eisen van subsidiariteit ingegeven) voorwaarden in art. 1.1.i. Besluit om verdachte te kunnen aanmerken als ‘weigerende observandus’. Verder volgt uit wetsgeschiedenis dat beoordeling door hof mede ertoe strekt te waarborgen dat in het voorliggende geval doorbreking van het medisch beroepsgeheim en de inbreuk op verdachtes (mede door art. 8 EVRM gewaarborgde) recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, beantwoordt aan eisen van proportionaliteit. I.h.k.v. deze individuele proportionaliteitstoets moet rechter dus ook beoordelen of doorbreking van medisch beroepsgeheim wordt gerechtvaardigd door omstandigheden van concrete geval, waarbij o.m. aandacht kan zijn voor aard en ernst van het tlgd. feit en omstandigheden waaronder dit is gepleegd, wat overigens bekend is over (persoon van) verdachte en inhoud van rapport van multidisciplinaire commissie. Omvang van de motiveringsplicht ter zake is mede afhankelijk van wat door OM en verdediging wordt aangevoerd. Hof heeft in afwijzende beschikking dit toetsingskader niet miskend. HR merkt op dat voor behandeling door hof van vordering moet worden aangesloten bij art. 21-25 Sv over behandeling door raadkamer, v.zv. daarvan niet wordt afgeweken in art. 37a.6-37a.9 Sr. Dit brengt o.m. mee dat behandeling niet in openbaar plaatsvindt en beschikking niet in openbaar wordt uitgesproken. HR merkt verder op dat, hoewel geen voorschrift is opgenomen over termijn instellen cassatieberoep door verdachte, moet worden aangenomen dat wetgever niet van andere termijn heeft willen uitgaan dan termijn van 14 dagen die o.g.v. art. 446.2 Sv geldt voor OM. Termijn vangt aan na in art. 37a.8 Sr bedoelde schriftelijke mededeling van de beschikking aan verdachte. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl