HR 1 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1043

Beschikking penitentiaire kamer hof op vordering OM o.g.v. art. 37a.7 Sr tot verlenen van machtiging voor gebruik ten behoeve van rapport van gegevens die multidisciplinaire commissie elders heeft verkregen over weigerende observandus t.z.v. verdenking van moord op ex-partner en bezit van kinderporno. Doorbreking medisch beroepsgeheim bij weigerende observandus, motivering beschikking. Had hof kenbaar in zijn oordeel moeten betrekken dat er al veel informatie over verdachte beschikbaar was, nu namens verdachte op dit punt verweer is gevoerd? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:1200 m.b.t. met waarborgen omgeven regeling voor doorbreking van medisch beroepsgeheim voor specifieke gevallen om rechter inzicht te geven in vraag of tijdens begaan van het feit bij verdachte gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van geestvermogens bestond. Hof heeft geoordeeld dat verdachte kan worden aangemerkt als ‘weigerende observandus’ a.b.i. art. 1.1.i Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi. Daarnaast heeft hof overwogen dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat bij verdachte sprake is van stoornis, en dat voorzitter van multidisciplinaire commissie a.b.i. art. 37a.6-37a.9 Sr (Adviescommissie Gegevensverstrekking Weigerende Observandi) heeft toegelicht dat in advies van AGWO genoemde persoonsgegevens “uitermate bruikbaar” zijn voor rapporteurs van PBC “als aanvulling op de informatie die al bekend is” en dat, “bij beschikbaarheid van die gegevens, rapporteurs tot duidelijke conclusie kunnen komen over aan- of afwezigheid van stoornis”. O.g.v. dit alles heeft hof geoordeeld dat te verstrekken gegevens “substantiële toegevoegde waarde” zullen hebben voor nader onderzoek naar stoornis, toerekenbaarheid en recidivegevaar, en dat doorbreking van medisch beroepsgeheim wordt gerechtvaardigd door dwingende eis in algemeen belang. Bij dit oordeel heeft hof betrokken standpunt van raadsman dat noodzaak voor machtiging tot verstrekken van gegevens niet bestaat. In het licht van wat hiervoor is vooropgesteld en gelet op vaststellingen van hof over betekenis die deze gegevens volgens voorzitter van AGWO kunnen hebben voor conclusie van onderzoekers van PBC, is dat oordeel toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt HR ook in aanmerking dat door raadsman bij behandeling in raadkamer in kern genomen niet meer is aangevoerd dan dat “stuk van Kristal (...) veel indruk [maakte]” en dat PBC “ook veel [heeft] geschreven”. Volgt verwerping. CAG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken