HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:633
Herziening. Arnhemse Villamoord in 1998. Medeplegen diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbende, art. 312.3 Sr. Aangevoerd wordt dat getuige (medeverdachte van aanvrager) in bij aanvraag gevoegde verklaringen is teruggekomen op door hem afgelegde belastende verklaringen, die hof voor bewijs heeft gebruikt, hetgeen ernstig vermoeden doet ontstaan a.b.i. art. 457.1.c Sv. Ter onderbouwing van dit novum is beroep gedaan op boek over deze zaak en eindadvies van ACAS. HR zet juridisch kader uiteen m.b.t. buitengewoon rechtsmiddel van herziening. Voorts herhaalt relevante overwegingen uit HR:1997:ZC9316, inhoudende dat aanvrager aannemelijk moet maken dat en waarom getuige terugkomt op hem belastende verklaringen, en uit HR:2016:736 m.b.t. eisen die gelden indien aanvraag zich beroept op nieuw deskundigenbericht. Bij aanvraag overgelegde verklaringen wekken, tegen de achtergrond van ‘s hofs bewijsvoering, niet het voor het buitengewone rechtsmiddel van herziening vereiste ernstige vermoeden a.b.i. art. 457.1.c Sv. Afwijzing aanvraag. Vervolg op HR:2003:AH8765 (eerdere herzieningsaanvraag) en HR:2002:AD8901 (strafzaak). Samenhang met 7 andere herzieningen.
De uitspraak op rechtspraak.nl